Terrashandel

Langs de terrassen aan de boulevard liep een lange magere man, waarschijnlijk uit Somalië, Soedan of Zimbabwe. Onder zijn ene arm droeg hij een grote ronde spiegel in een oranje lijst die eruit zag als een grove cirkelzaag; over de andere had hij een bundeltje fel gekleurde broekriemen. Hier en daar zaten een paar toeristen, de meeste terrassen waren leeg. Het voorseizoen in crisistijd.

Ik zat de krant te lezen, op mijn dooie gemak. Wat een grenzeloze luxe. Na een half uurtje kwam de man weer terug. Niets verkocht. Ik had de krant uit, begon te denken aan wat ik in dit stukje zou schrijven. Daar was hij weer, met dezelfde hoeveelheid spullen die niemand wilde hebben. ’s Avonds om een uur of acht zat ik aan mijn vertrouwde tafeltje een aperitiefje te drinken. Daar kwam een andere man, ook uit een Afrikaans land. Aan een bundel touwtjes voerde hij een stuk of twintig bizar gevormde felgekleurde opgeblazen ballonnen mee. Misschien leuk voor een kinderpartijtje maar hier zaten alleen grote mensen.

Overal langs de stranden van Zuid-Europa lopen ze in het seizoen, de zwarte magere mannen met hun spullen die niemand wil hebben. Eerst zijn ze gevlucht voor de burgeroorlog in hun eigen land, met tientallen waarschijnlijk tegen betaling in een wankel bootje gestapt, hebben nog in een Grieks, Spaans of Italiaans opvangcentrum gezeten en daarna op een of andere manier de vrijheid en de vetpotten van Europa bereikt.

Ze kwamen een zakenman tegen van wie ze hoorden dat hier het fortuin onder handbereik ligt. Europese badgasten zijn gek op ballonnetjes, houten kapstokken, curieus ingelijste spiegels en gele of oranje broekriemen. Het enige wat ze hoefden te doen was met hun handel langs de boulevard of het strand te lopen. De rest zouden ze vanzelf wel zien. En dan, de zakenman zou het bijna vergeten, moesten ze een klein bedrag betalen om tot het voorrecht van deze broodwinning te worden toegelaten. Ten slotte hadden ze een slaapplaats nodig. Ook daarop wist de zakenman raad. Hij had toevallig een vriend met een klein pensionnetje. Daar konden ze een bed in een slaapzaal huren. Dat was heel gewoon in Europa.

De praktijk viel tegen. De meeste exploitanten van de terrassen willen geen kooplui op hun gebied. Misschien willen ze hun gasten de pijnlijke daad van het nee zeggen besparen. Als noorderling, opgegroeid in de verzorgingsstaat, krijg je onwillekeurig nog wroeging als je met een bescheiden hoofdschudden zo’n arme sloeber duidelijk maakt dat je niets nodig hebt. Probeert dus een handelaar de grens van het terras te overschrijden dan komt er meteen een lid van het personeel op hem af. Wegjagen gaat in de mediterrane cultuur met minder plichtplegingen dan in het noorden en dat veroorzaakt een nog zieliger schouwspel. Ze durven niets terug te doen en druipen af, zetten hun vruchteloze tocht voort. Althans, ik heb nog nooit een toerist met zo’n kapstok of spiegel of een ballonnetje naar huis zien gaan. De kooplui hebben eerst een melancholieke, dan een intens droevige, ten slotte een gelaten oogopslag.

Er is een variant die niet uit Afrika komt. Een paar dagen geleden op een avond zat ik er weer toen er een jongetje van een jaar of tien op me af kwam. Zo te zien uit een zigeunerfamilie. Ook hij was in de terrashandel, maar met een beter assortiment: interessante zaklantarentjes die een felle, geconcentreerde stralenbundel werpen, en pakjes met tien papieren zakdoekjes. Een gezelschap naast me zwichtte meteen voor zo’n lantarentje en begon daarmee op de voorbijgangers te oefenen. Ik heb al zo’n dingetje, jaren geleden gekocht van een doofstomme handelaar met vergunning. Hij stalde een selectie van zijn handel uit op je tafeltje, ging verder en kwam dan weer terug om eventueel zaken te doen. Een aardige man; al lang niet meer gezien.

Nu deze kleine zigeuner. Eerst gaf hij een demonstratie met het lantarentje. Hij had er kennelijk zelf plezier in, of acteerde overtuigend. Maar ik was dus al voorzien. Toen kwam hij met de zakdoekpakjes. Ik, een nabob uit het rijke noorden die nee zou zeggen tegen dit kind? Geen sprake van. Welk opperwezen dan ook zou me later voor die hardvochtigheid straffen. Voor een euro kocht ik een pakje. Huppelend verdween hij naar het volgende terras, mij achterlatend met het weldadig gevoel dat een mens krijgt na betoon van barmhartigheid. Ik bekeek mijn aankoop. Die zag er wat mager uit. Ik telde de zakdoekjes. Geen tien maar vijf.

Veel later, op weg naar huis zag ik hem weer. Hij zat bij zijn moeder op schoot en sliep. Mamma was bezig het geld te tellen.