Maarten 't Hart zet z'n tanden in de witbol

Schrijver en bioloog Maarten ’t Hart beschrijft maandelijks hoe zijn moestuin erbij staat. Wat te doen met onkruid dat op Wilders lijkt? „Zet overal Afrikaantjes.”

Maarten ’t Hart zet z’n tanden in de witbol buiten tuinieren in juni Schrijver en bioloog Maarten ’t Hart beschrijft maandelijks hoe zijn moestuin erbij staat. Wat te doen met onkruid dat op Wilders lijkt? „Zet overal Afrikaantjes.”
Maarten ’t Hart zet z’n tanden in de witbol buiten tuinieren in juni Schrijver en bioloog Maarten ’t Hart beschrijft maandelijks hoe zijn moestuin erbij staat. Wat te doen met onkruid dat op Wilders lijkt? „Zet overal Afrikaantjes.”

Elk jaar streef ik ernaar al wat ik telen wil voor de langste dag geplant en gezaaid te hebben. Na de langste dag, zo leert de ervaring, is de fut er opeens uit, niets wat je dan nog aanplant of inzaait groeit zo snel als voor 21 juni.

Maar als alles wat je wilt telen op de akker staat, beperken je werkzaamheden zich vervolgens tot wieden en schoffelen. Wieden valt mij evenwel ieder jaar zwaar. Niet omdat ik ertegenop zie op mijn knieën tussen mijn gewassen rond te kruipen en het onkruid ertussen vandaan te trekken, maar omdat die opkomende onkruiden vaak beginnen als een onooglijk kiemplantje waarvan ik wil weten: wat is het? Mijn ouders omschreven het onkruid eenvoudigweg als ‘het vuil’ en trokken het fanatiek uit. De duivel had het gezaaid, dat kon je lezen in Matteüs 13 vers 24 tot 30, dus ‘vort ermee’ zoals mijn moeder altijd zei. Mij valt het evenwel zwaar om bijvoorbeeld kruipend zenegroen of hoenderbeet uit te roeien. Zelfs boterbloemen kan ik maar moeilijk verwijderen. Anders is het natuurlijk gesteld met zo’n typisch CDA-plantje als Anagallis arvensis, ofwel Huichelgeil, en de ChristenUnie variant daarvan, Teer Huichelgeil. (Ja, ik weet het, ik spel de naam verkeerd, het is Guichelheil, maar ik spel het altijd op de CDA-manier).Op het oog onschuldige, fragiele primula’s, maar houd ze onder de duim. Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor de favoriete plant van Jan Peter Balkenende, de Kleine Ratelaar en z’n Limburgse neefje, de Harige Ratelaar. Het zijn opdringerige schettergewassen met knalgele bloemen die hele perken monopoliseren en er altijd op uit zijn de klaprozen, waarmee ze ogenschijnlijk qua kleur zo aardig lijken te harmoniëren, zachtjes te verdringen en te smoren.

Toch vallen zelf guichelheil en ratelaar verre te prefereren boven een gewas dat dit jaar onstuitbaar oprukt, Holcus lanatus ofwel de witbol. Overal tref je hem opeens aan. Het is een dicht zodevormende plant die z’n kans grijpt op verslijmd hooiland dat ooit te overdadig bemest is geweest. Hij gedijt op slecht doorluchte, verzuurde bodem. Wat ertegen te doen? Het is maar al te duidelijk dat noch ratelaar noch guichelheil noch klaproos in staat zijn de onstuitbare opmars van dit alles verstikkende griezelgewas te pareren. Ooit, in lang vervlogen tijden, kwam er ten tijde van de Weimar Republiek in Duitsland ook zo’n doodeng naaktzadig gewas op, en nog altijd likt de wereld als gevolg daarvan zijn wonden. Onverstandig is het, denk ik, om de opmars van Witbol, zoals nu gebeurt, met grote angstogen gade te slaan. Manmoedig moeten wij onze tanden in het gewas zetten. Laat de specht, dol op boomschors roffelend, ons voorbeeld zijn. Een cordon sanitaire rondom dit gewas lijkt mij onverstandig. Waar je de grond onbedekt laat, invadeert het meteen. Dat brengen z’n sterk slijmerige, zodevormende capaciteiten nu eenmaal met zich mee. Nee, er naast gaan staan, infiltreren, aanpappen, invaderen, omhelzen, net doen alsof je er broederlijk naast opschiet, de plaggen van opzij en van onderop aantasten. Waar mogelijk cynisch meehuilen, of zelfs meehuichelen, dat laatste moet zeker CDA-ers goed afgaan. Niet uitsluiten, niet bij voorbaat al van de daken schreeuwen dat je er geen pact mee wil vormen, maar de onbedekte grond beplanten met zoveel mogelijk Afrikaantjes.

In het verrukkelijke boek van Reif Larsen, De verzamelde werken van T.S. Spivet, zegt iemand: „De wetenschap heeft heden ten dage met reusachtige hindernissen te kampen, en we zijn van plan vuur met vuur te bestrijden.” Dat is ook nu het recept. We moeten niet terugdeinzen om dit vuur van het onfatsoen, de schaamteloosheid, het opportunisme, de regelrechte haatdragendheid en de ongehoorde perfiditeit met vergelijkbaar vuur te beantwoorden.

Het allerbelangrijkste evenwel is dat je grondig de voedingsbodem van het gewas onderzoekt, en waar mogelijk aanpast. Als iets zo uitbundig groeit, is er iets grondig mis met de bodemgesteldheid. De zuurgraad is veel te hoog, er moet kalk toegevoegd worden. Zeker, Nederland is verslijmd, verschraald hooiland dat in het verleden al te uitbundig bemest is geweest. Maar zelfs verslijmd hooiland kun je omtoveren in een heempark. Laten we met z’n allen de opmars van Witbol zo listig mogelijk pareren en liever nog stuiten.