Zwerfhond

Zwerfhond Rintje illustratie Sieb Posthuma
Zwerfhond Rintje illustratie Sieb Posthuma Posthuma, Sieb

Ik heb buiten iets heel vreemds gezien”, zegt Henriette als ze Rintjes huiskamer binnen loopt. „Het was ook een beetje eng.”

„O, spannend”, zegt Rintje. „Ik hou van enge dingen.”

„Mogen we raden?”, zegt Tobias. „Is het een reuzenspin?”

„Nee”, zegt Henriette. „En je moet er geen grapjes over maken, want het is ook zielig!”

„Nu word ik toch wel heel erg nieuwsgierig”, zegt Rintje. „Waar heb je dat enge, vreemde, zielige gezien?”

„Verderop in de straat”, zegt Henriette. „Kom maar mee!” Henriette neemt Tobias en Rintje mee naar een kartonnen doos die op de stoep ligt. De doos staat met zijn onderkant naar hen toe. Pas als ze om de doos heen lopen zien ze wat Henriette bedoelt.

In de doos zit een oude hond die gescheurde kleren aanheeft. Hij krabt zich achter zijn oor. En hij knauwt ook in zijn vacht, op zijn rug en bij zijn achterpoot.

„Ga er maar niet te dicht bij staan”, zegt Henriette. „Want je begrijpt zeker wel waarom hij zich zo krabt.” Ze trekt er een heel vies gezicht bij.

„Vlooien”, zegt Tobias zachtjes.

„Zit u hier al lang?”, vraagt Rintje.

De hond stopt met krabben en knauwen en kijkt de drie vrienden aan. „Nee”, zegt hij met een schorre stem. „Ik blijf nergens lang. Ik ben een zwerver.”

„Heeft u geen huis?”, vraagt Tobias.

„Het huis dat je nu ziet is het enige dat ik bezit”, zegt de zwerver.” „Maar laat ik me eerst eens even voorstellen, mijn naam is Margus. En wie zijn jullie?”

„Ik ben Rintje”, zegt Rintje. „En dit zijn mijn vrienden Henriette en Tobias.”

„Heeft u alleen een doos om in te wonen?”, vraagt Henriette.

„Meestal slaap ik onder een boom of gewoon onder de sterrenhemel”, zegt Margus. „Als het koud is of nat, zoek ik een doos om in te schuilen.”

„Maar heeft u dan wel eten?”, vraagt Tobias bezorgd.

„Ik vis hier en daar iets uit een prullenbak,” zegt Margus. „En soms krijg ik wat toegeworpen. Een kluifje of een stuk oud brood.”

„Gaat u met ons mee?” vraagt Rintje. „Mijn moeder bakt de heerlijkste dingen. Ik weet zeker dat u mag mee-eten!”

Mama kijkt heel verbaasd als ze even later met zijn vieren de keuken binnenlopen.

„Dit is Margus”, zegt Rintje. „Margus is een zwerfhond. Hij heeft geen huis en ook geen eten.”

„En geen bad, zo te ruiken”, zegt mama. „Daar gaan we eerst eens iets aan doen.” Als Margus in bad is geweest ziet hij er al veel beter uit. Mama heeft ondertussen zijn kleren gewassen. Op tafel staan vijf borden met heerlijke worstjes en kluiven. Margus heeft het eerst zijn bordje leeg. „Dat was heerlijk!”, zegt hij.

“Mag Margus in de schuur wonen?” vraagt Rintje.

„Natuurlijk”, zegt zijn moeder. „We schuiven wel wat spullen opzij.”

„Doe geen moeite”, zegt Margus. „Ik moet weer gaan, want ik kan niet tegen een dak boven mijn hoofd. Ik heb mijn hele leven gezworven. Van te lang op een plek blijven word ik onrustig!”

„Laat me u dan wat extra eten meegeven”, zegt mama. Ze stopt wat kluiven in zijn plastic tas.

Margus trekt zijn jas aan. „Mag ik jullie heel hartelijk bedanken?”, zegt hij.

Bij de deur zwaaien ze hem uit, net zolang tot hij een kleine stip geworden is.