Museale en bedrijfscollectie met elkaar vergeleken

Over confrontatie en overeenkomsten gaat de nieuwe tentoonstelling Wahlverwandtschaft in Museum Belvédère. Twee collecties gaan dialoog aan.

Jan Roeland: ‘Palet en penseel’ (2003, olieverf op doek, 120 x 100 cm., Bouwfonds Kunstcollectie)
Jan Roeland: ‘Palet en penseel’ (2003, olieverf op doek, 120 x 100 cm., Bouwfonds Kunstcollectie)

Man-tegen-mangevechten, zo komt de tentoonstelling Wahlverwandtschaft over als je vooraf door de catalogus bladert. Het schilderij links gaat de strijd aan met dat op de rechterbladzijde.

Op de expositie zelf in Museum Belvédère bij Heerenveen liggen de verhoudingen wat ingewikkelder. Soms is het een groepsgevecht geworden waarbij René Daniëls het in zijn eentje makkelijk wint van twee grote werken van Jan Roos. Vanaf hun eigen wand maaien ze met hun armen naar de andere. De rest van de tentoonstelling heeft wat minder de sfeer van een kooigevecht. Aan een lange muur hangen Raoul de Keyser, Robert Zandvliet en Antonietta Peeters rustig naast elkaar, terwijl de groene en zwarte tinten die op alle drie voorkomen zorgen voor een verbinding. Head van Reinier Lucassen hangt in zijn eentje aan een korte wand naast het middenpad. Het straalt een air uit van ‘kom maar op, ik ben jullie allemaal de baas’. Een ander werk van hem zoekt juist contact met een Roeland die er tegenover hangt.

Wahlverwandtschaft brengt schilderijen uit de collectie van Rabo-dochter Bouwfonds samen met die van het in 2003 geopende museum Belvédère. „We wilden inhoudelijk samenwerken en dat vond Belvédère spannend”, zegt conservator Sharon Oldenkotte-Vrolijk van de Bouwfonds Kunstcollectie. „Het gaat om werken die geestverwantschap hebben en de presentatie in het museum heeft nieuwe inzichten opgeleverd. We hebben nu voor het eerst iets van Vincent Hamel gekocht.”

Directeur Han Steenbruggen van Belvédère heeft al zo veel exposities gezien waarbij bedrijfscollecties als het ware ruimte huren in een museum. „Dat is makkelijk en goedkoop, en daar had ik geen zin in. Ik wilde het een ontmoeting laten zijn van hun collectie met ons museum.” Beide partijen hebben zich in elkaars verzameling verdiept. „Wij moeten het hebben van onze ligging, de combinatie natuur, architectuur en schilderkunst”, zegt Steenbruggen over zijn mooi, als een langgerekte doos in de Friese groene weiden gelegen museum. „Wij hebben de wat meer verstilde en contemplatieve moderne schilderkunst. Geen Karel Appel. Het heeft ook altijd een landschappelijke associatie.”

„Belvédère heeft veel kunstenaars uit de regio”, zegt Oldenkotte-Vrolijk. „Als je hun Erik de Nie vergelijkt met de Fransman Bernard Frize uit onze collectie, dan zie je dat de inspiratie en de manier waarop ze met het materiaal omgaan verwant zijn. De manier waarop Daniëls en Roos met figuratie omgaan heeft gelijkenis.”

„Roos en Daniëls was een mazzeltje”, zegt Steenbruggen. „Er zijn overeenkomsten in hoe het beeld wordt aangepakt en uitgewerkt. Bij Roos is dat robuuster en voller, bij Daniëls subtiel, maar er zit net zo’n zelfde gevoelige kunstenaarsmentaliteit onder. Leuk, omdat Daniëls veel ruimdenkender is en een internationale positie heeft, terwijl Jan Roos met zijn rug naar Europa staat en nooit Harlingen uitkomt.”

Over zulke confrontaties en overeenkomsten gaat de tentoonstelling. Het roept een spanning op die andere groeps- of thematentoonstellingen missen. Deze schilderijen willen bekeken en vergeleken worden. En wat is leuker dan dat spelletje meespelen?

De meeste schilderijen die Belvédère en Bouwfonds selecteerden zijn heel recent. Het oudste dateert uit de jaren zeventig. De schilderijen stellen zelden iets duidelijks voor. Ze gaan over verf, vlakken, arceringen, kleur, formaat en wat je verder als modern schilder allemaal tot je beschikking hebt. Samen maken ze duidelijk dat er totale vrijheid heerst in de Nederlandse schilderkunst. Alles mag, als het resultaat maar een verhaal of gevoel oproept.

René Daniëls (1951) is de eeuwige branie die met kwasten alles kan maken wat hij denkt of droomt. Op het titelloze grote werk uit 1978 van het Bouwfonds roept hij met rechte vegen in vier of vijf kleuren een beeld op van een instortend blok wolkenkrabbers. Ze vallen uit het gelid, zoals Marcel Duchamps naakt de trap komt afgelopen als in een schokkerige film. De hemel heeft Daniëls aangegeven met dikke vegen blauw en zwart, de straat beneden met wat brede halen blauwgrijs. Alleen daar is de verf dik aangebracht. De belangrijkste vormen zijn zwart omkaderd.

Jan Roos houdt van zijn brede zwarte kwast. Op Werf (1993) uit de collectie van Belvédère gebruikt hij die om cirkels, lijnen en hoeken te zetten, waardoor je gaat geloven dat je naar een luchtfoto van een bedrijvige scheepswerf kijkt. Maar nog minder dan Daniëls geeft Roos visueel houvast. Het zijn vooral vlakken van sombere tinten. Er is dynamiek tussen de onderdelen, maar niet de levendigheid van Daniëls. Roos heeft veel verf nodig om zijn verhaal te vertellen.

Het moet heerlijk zijn om ’s morgens in je atelier te besluiten waarop je die dag aan de slag zal gaan: papier, linnen, glas, hout, een oude lap katoen? Op de expositie hangt het allemaal. Hoe groot zullen we het maken, of wordt het een tweeluik? Ga ik de vlakken fijn schilderen met olieverf op doek, zoals Jan Roeland, of wordt het een reliëf van sporen getrokken in dikke klodders verf, zoals bij Mai van Oers in haar titelloze drieluik.

Het is een avontuur om over de expositie te dwalen en kriskras werken met elkaar te vergelijken. Los van elkaar hadden Bouwfonds en het museum niet zo’n goede tentoonstelling kunnen maken. „De conservatoren van Bouwfonds en ik zijn een dialoog aangegaan via elkaars collectie”, zegt Han Steenbruggen. „Zij konden nee zeggen tegen iets dat ik wilde. Zo gelijkwaardig is een museum nog nooit met een bedrijfscollectie omgegaan. Dit willen we vaker met bedrijven doen vanuit een gemeenschappelijk kunstbelang.”

Museum Belvédère Heerenveen. T/m 16/8, di-zo, 11-17 uur. Inl. www.museumbelvedere.nl