'Werk kwam op de eerste plaats'

Huisarts Roel van Spronsen (1928) had nooit tijd voor zijn gezin. Nu vraagt hij zich af of zijn kinderen daar last van hadden.

Nederland, Den Haag, 01-02-09 De familie Spronsen. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

‘Een zwangerschap is een geschenk, geloofden wij. Na Silvia, ons vierde kind in negen jaar, was Else met de pil begonnen om wat rust in het gezin te krijgen, maar daar kreeg ze vreselijke migraineaanvallen van. De pil was nog erg sterk, toen. Ze stopte er weer mee, en werd vervolgens opnieuw zwanger, op haar 41ste. We vonden het meteen fantastisch. Ons huis was groot genoeg en we waren uit de financiële zorgen, want mijn huisartsenpraktijk liep goed.

„De foto is van vlak voor Kerst, 1968. Elsie is een paar weken oud. De andere kinderen waren allemaal blij met de baby – alleen Roel, de oudste, was een beetje teleurgesteld, omdat hij erg op een broertje gehoopt had.

„‘Onderdak’ stond er boven onze voordeur, naar een beeld dat ik in de jaren zestig op een tentoonstelling ontdekte en waarvan ik toen een replica gekocht heb. Het onderdak gold in de eerste plaats voor ons eigen gezin, maar we hadden ook vaak familie te logeren. Else kwam uit een gezin van negen en ik van vier, dus er waren nichten en neven genoeg. En iedereen was welkom. Else hield de hele boel draaiende, en was ook nog eens achterwacht in mijn praktijk. Ze was een duizendpoot.

„Op doordeweekse dagen begon om zeven uur, half acht ’s ochtends de telefoon te rinkelen. We hadden één lijn. De kinderen waren allemaal getraind in het opnemen: nooit lang laten overgaan, van elke patiënt naam en adres noteren, vrienden zo kort mogelijk te woord staan om de lijn vrij te houden. Vanaf acht uur ontving ik patiënten op mijn praktijkadres in de wijk – ik had twee praktijkadressen, dat was typisch Haags. ’s Middags had ik thuis spreekuur, en daarna reed ik nog visites – soms tot een uur of acht, negen. Mijn avondeten werd voor me bewaard.

„Als vader was ik… Kijk, met de kleine huiselijke probleempjes had ik niets van doen. Dat deed Else allemaal perfect. De grote zorgen deelde ze wel met mij, en als ze echt niet meer wist hoe ze iets op moest lossen, schakelde ze me soms in. Vooral Bertie had een sterke wil. Die heb ik één keer van tafel gestuurd, herinner ik me – dat was ongebruikelijk bij ons, en slaan deden we al helemaal nooit. Een uur later ging ik alweer naar haar toe, hoor. Ik praatte liever met de kinderen dan ze zo te disciplineren. Voor gesprekken over hun angsten, hun levensvragen nam ik altijd de tijd. Maar in het algemeen kwam het werk bij mij op de eerste plaats. Zelfs op vakantie kon ik het niet loslaten. Dan belde ik naar huis om te horen hoe het op de praktijk ging, en kocht ik Nederlandse kranten om aan de advertenties te zien of er misschien iets met een van mijn patiënten gebeurd was.

„Ik vond: een huisarts is ook een vertrouwenspersoon, en dat ben je 24 uur per dag, 7 dagen per week. Nu wordt daar makkelijker over gedaan, met gedeelde praktijken en dienstregelingen op papier. Misschien nam ik mijn vak te serieus.

„Ik heb de kinderen later herhaaldelijk gevraagd of ze schade hebben ondervonden van mijn afwezigheid. Onlangs vroeg ik het weer – zo gaat dat in deze fase van je leven, je kijkt terug en vraagt je af of je wel de juiste keuzes gemaakt hebt. Hun antwoord is telkens ontkennend. Ze hebben er niet onder geleden, zeggen ze. En ze doen het fantastisch, allemaal. Ik kijk met verbazing naar hoe goed ze in het leven staan.”

Behoedzaam, bijna eerbiedig bejegenen ze elkaar. Roel en Else zijn allebei ziek – hij heeft chronische leukemie, zij heeft beenmergkanker. Maar ze zijn er nog. Hij ontvangt het bezoek met een glimlach. Zij zet de koffie klaar, en excuseert zich dan: ze moet even rusten. Dit is een mooie tijd, vinden ze allebei. Extra tijd. Er komt weer een nieuw kleinkind. Hun zitkamer baadt in het zonlicht.

Heeft u een suggestie voor een bijzondere foto met verhaal?

Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss