Waar blijven de kopers?

Westerse overheden hebben miljarden in hun economieën gepompt. Maar zolang de burger spaarzaam op zijn geld zit, blijft effect uit.

De groene loten van het economisch herstel worden rijkelijk van mest voorzien door Gordon Brown, Barack Obama, China en een select clubje centrale bankiers. Maar hun groeibevorderende inspanningen vallen in uitgeputte aarde.

De traditionele kooplustigen – de Amerikaanse en Britse consumenten – zijn hun geldmachine kwijt, die van brandstof werd voorzien door de almaar stijgende huizenprijzen. Duitsland en Japan – van oudsher belangrijke productielanden – hebben te kampen met enorme omzetdalingen. China groeit misschien nog steeds, maar of dat ook een levenslijn voor het Westen oplevert, is twijfelachtig.

Het grote mondiale probleem is: wie gaat er iets kopen? Het beleid van Brown en Obama om zich een uitweg uit de crisis te spenderen, stuit dichtbij huis op zijn eerste problemen. De machtige Amerikaanse consument, de bron van 70 procent van het bruto binnenlands product van ’s werelds grootste economie, is geheel verzadigd. De dollar is zwak, hetgeen het effect van de verminderde koopkracht van de Amerikaanse consument op de rest van de wereld vergroot. De Amerikaanse goederenimport is in de vier jaar tot 2008 met 43 procent gestegen, ofwel 635 miljard dollar. Nu daalt de import, exclusief olie in het eerste kwartaal met 23 procent op jaarbasis. De wereld kampt met het verlies van de Amerikaanse consumeerwoede.

Maar die vraatzucht zal niet makkelijk terugkeren. De Amerikaanse en de Britse groei werden voorheen aangedreven door de stijging van de huizenprijzen. De Bank of England biedt de beste statistieken over de omvang en de invloed van dit verschijnsel. De Britse consumenten wendden tussen 2003 en 2007 237 miljard pond van hun hypotheekleningen aan voor consumentenuitgaven. Dat grote bedrag, gemiddeld 47 miljard pond per jaar, kwam overeen met 5,6 procent van het consumenteninkomen na belastingen. In de VS zou de herfinanciering van hypotheken een soortgelijke stimulans hebben gegeven aan de consumentenuitgaven.

Nu de huizenprijzen dalen, is deze impuls voor de consumptie verdwenen. Erger nog: de stijgende werkloosheid en de verminderde beschikbaarheid van hypotheekfinanciering betekenen dat de inkomens eerder worden besteed aan het afbetalen van schulden dan aan het ontlenen van bestedingsgeld aan kredieten. Dat verklaart dat de Britse cijfers voor de aanwending van de overwaarde van huizen negatief zijn geworden – in de orde van grootte van 15,7 miljard pond in de laatste drie kwartalen van 2008. Nadat de zeepbel op de Britse huizenmarkt van de jaren tachtig was gebarsten, duurde het wel tien jaar voordat deze trend was gekeerd en hypotheekleningen opnieuw een impuls voor de consumptie konden worden.

Als de Amerikaanse en Britse consument krap bij kas zitten, kunnen consumenten in de exporterende landen het stokje toch wel overnemen?

De hindernissen zijn opnieuw groot. Duitsland en Japan hebben een conservatieve, vergrijzende bevolking die eerder wil sparen dan geld uitgeven. En beide economieën hebben zojuist geleden onder de ergste omzetdaling sinds de Tweede Wereldoorlog. In het eerste kwartaal van dit jaar was de Duitse economie 6,7 procent kleiner dan een jaar eerder. De daling van het Japanse bruto binnenlands product was bijkans nog erger: een val van 9,7 procent.

Deze enorme recessies jagen de werkloosheid omhoog en de toch al angstige consument alleen maar nog meer schrik aan. De werkloosheid in de Eurozone steeg in maart met 419.000 mensen, waardoor het werkloosheidspercentage opliep tot 8,9 procent. De Europese Commissie voorspelt dat het volgend jaar zal stijgen naar een recordniveau van 11,5 procent. Het Japanse werkloosheidscijfer had in maart te maken met zijn grootste maandelijkse sprong sinds 1967, en zal waarschijnlijk nog door blijven klimmen. De Europese en Japanse consument gaan niet helpen de mondiale economie weer aan te zwengelen.

Hoe zit het dan met de consumenten in China? De Chinese economie groeit als enige van de belangrijkste economieën in de wereld nog steeds. Maar de Chinese uitgaven aan importen waren tussen februari en april ongeveer een kwart lager dan vorig jaar – ondanks een duidelijke stijging van de staatsaankopen van grondstoffen. Hoewel de regering een aanzienlijk bedrag van 585 miljard dollar heeft uitgetrokken voor een fiscale stimulans, is de essentiële oriëntatie van het Chinese economische beleid nauwelijks veranderd. De munt wordt op een ondergewaardeerd peil gehouden. De regering ziet productie in China en groei van de export als de weg voorwaarts. Zij verwacht niet dat de Chinese consument opeens importgoederen zal gaan kopen.

Dat is een probleem voor het Westen. China stimuleert, maar niet op de manier die Brown en Obama graag zien. Wat dit betekent, is dat de buitengewone omvang van het pakket fiscale en monetaire stimuleringsmaatregelen de wereldeconomie waarschijnlijk alleen maar zal stabiliseren, en dat ook nog eens op een veel lager omzetniveau – en hogere werkloosheidsniveau’s – dan een jaar of twee geleden.

Het herstel zal dus traag verlopen. Waar zal het beginnen? Waarschijnlijk waar de problemen zijn begonnen, in de VS. De daling van de Amerikaanse huizenprijzen lijkt tot stilstand te komen. Na twee kwartalen van dalingen van de Amerikaanse consumentenuitgaven – de eerste in decennia – is de spaarquote gestegen naar 4,2 procent in maart, hetgeen ongewoon hoog is voor Amerikaansen begrippen.

Misschien zal de Amerikaanse consumptiedrift dan weer van zich laten spreken. Ondanks de opkomst van Azië lijkt de wereld daar nog steeds niet zonder te kunnen.

    • Ian Campbell