Vlinder en plaaggeest van expositieopeningen

De Amerikaanse dakloze kunstenaar Daniel R. Gould is is op elke galerieopening te vinden. Frederieke Jochems maakte er een documentaire over.

Daniel Gould met Lou Reed bij de opening van de Warholexpositie in het Stedelijk (2007) Foto Edgar de Mol Mol, Edgar de

Rode wijn, witte wijn, hapjes. Het zijn ingrediënten van iedere opening. En kunst, en publiek. Over de openingen heeft Frederieke Jochems de documentaire I love art gemaakt. Ze laat zien hoe al babbelend drinkend en etend de opening vooral een sociaal uitje is op kosten van de galeriehouder.

Jochems wilde die wereld tonen in het kielzog van de Amerikaan Daniel R. Gould die al dertig jaar vrijwel geen opening in het Amsterdamse circuit heeft gemist. Hij was vorige week zaterdag bij de première van de film aanwezig, een kleine, oudere man met dun grijs haar in een krijtstreep pak. Jochems zei in haar toespraakje dat hij het zonnetje wordt genoemd, omdat hij licht geeft aan het gezelschap om hem heen. Zelf noemt hij zich Dan, Danny of Daniel, drie d’s, wat ook de naam is van de nieuwsbrief Goulds 3D List die hij wekelijks bijhoudt over expositie-openingen.

Galeriehouders blijken verschillend over de vlotte prater Gould te denken. Hij is op een opening gefilmd met de oesterman die hem er vanuit het korfje op zijn heup één aanbied: „Eén? Ik lust er wel twaalf.” Bij een andere opening is hij de enige die aandacht heeft voor de kunst. Er is een galeriehouder die hem de galerie laat uitzetten omdat Gould altijd komt en nog nooit iets gekocht heeft.

Met andere kunstmensen praat Gould over een expositie, want hij blijkt ook kunstenaar te zijn.

Wat een film moest worden over openingen, wordt dankzij Gould vooral een film over iemand wiens leven draait rond die gebeurtenissen. Door wat kennissen en vrienden over hem zeggen en door wat hij mondjesmaat loslaat, ontdek je dat Gould in Amerika gescheiden is. Je leert ook dat je moet twijfelen aan wat hij vertelt. Zoals over de collectie kunstwerken die hij zegt te bezitten, met Mondriaans en Kandinsky’s.

Daniel Gould, zo wordt ook duidelijk, is thuisloos. De Amsterdamse kunstenaar Fabrice laat hem een atelier bewonen dat hij tijdelijk niet gebruikt. Maar Gould zoekt geen oplossing, zodat Fabrice hem op straat zet.

Galeriehouder Ron Mandos en Jelle Bouwhuis van Stedelijk Museum Bureau Amsterdam praten met Gould over diens expositie. Beiden zien wel iets in sommige van zijn tekeningen en collages, maar schrikken van het idee dat Gould het Guinness Book of Records wil halen: met 1001 werken de grootste debuutexpositie ooit.

Zo wordt Gould een zielige figuur. Twee gebeurtenissen maken van hem een tragische figuur. Het begint met een bezoek aan iemand die foto’s heeft gemaakt in het huis waar Gould twintig jaar in Amsterdam-West woonde. Het stond bomvol kunst van hemzelf en anderen. Hij moest weg wegens huurachterstand en slaat alles op in een box in een pakhuis.

Gould praat vaak over de kunst die daar staat. Als Jochems daar met de camera een kijkje wil nemen, blijkt alles opgeruimd. De eigenaar van het pakhuis zegt dat Gould de huur niet betaalde en onvindbaar was.

Het verlies van zijn spullen en verleden is het hoogtepunt in een film die een indringend portret schetst van een van de vlinders die op de gratis hapjes en drankjes van kunstopeningen afkomen.

‘I Love art’: Arti en Amicitiae, Amsterdam, 12/6 (arti.nl). Minibios strand Wijk aan Zee, 20/6 (minibios.nl). RTV NH, 28 juni.

    • Dirk Limburg