Thuisblijvers bij Europese verkiezingen doen zichzelf te kort

Stemgerechtigde inwoners van de Europese Unie kiezen komende week een nieuw Europees Parlement. Voor Nederland staan 25 van de in totaal 736 zetels op het spel. Bij de eerste Europese verkiezingen in 1979 bedroeg de opkomst 63 procent. De laatste keer – vijf jaar geleden – bracht minder dan de helft van de Europeanen zijn stem uit. Afgaande op de uitslag van opiniepeilingen laat dit keer opnieuw zeker de helft van de kiezers het afweten.

In geen van de lidstaten tonen ingezetenen zo weinig betrokkenheid als in ons land. Twee mogelijke verklaringen dringen zich op. De eerste luidt dat Nederlanders zo tevreden zijn over het functioneren van de Europese instellingen, dat zij het wel geloven.

De tweede verklaring klinkt veel aannemelijker. De kennis over bevoegdheden van het Europees Parlement en zijn bijdrage aan de besluitvorming in de Unie is beperkt. Het orgaan zelf staat bij velen in een slechte reuk door periodieke berichten over oneigenlijk gebruik van royale vergoedingsregelingen door sommige Europarlementariërs en de verspilling van 200 miljoen euro per jaar, doordat op twee plaatsen wordt vergaderd.

Maar bovenal vinden veel kiezers dat de Unie zich bemoeit met tal van zaken die beter aan de lidstaten zelf kunnen worden overgelaten. Die bemoeizucht wekt wrevel, uitmondend in een onverschillige houding bij burgers die het gevoel hebben dat zij niets tegen de Brusselse moloch kunnen uitrichten.

Als uitvloeisel van het zogeheten subsidiariteitsbeginsel zou de Unie alleen moeten optreden wanneer – gelet op grensoverschrijdende effecten – nationaal handelen van de lidstaten ondoelmatig of schadelijk is. Denk aan het onderhouden van handelsbetrekkingen met de rest van de wereld en het optreden tegen lidstaten die de werking van de interne markt verstoren door de eigen industrie te beschermen via subsidies of regelgeving. Zijn de grensoverschrijdende effecten daarentegen beperkt, dan dient de autonomie van de lidstaten te worden gerespecteerd.

In de praktijk wordt dit subsidiariteitsbeginsel veelvuldig geschonden. De Unie neemt taken op zich die niet in Brussel thuishoren. Anderzijds faalt het project Europa opzichtig op terreinen waar de Unie het voortouw zou moeten nemen: de buitenlandse politiek en defensie, het energiebeleid, het toezicht op de financiële sector en de harmonisatie van nationale belastingen op winst en vermogen. In deze gevallen ketsen initiatieven van de Europese Commissie evenwel af op verzet van regeringen die nationale belangen laten prevaleren.

Veruit het grootste deel van het EU-budget is bestemd voor de landbouwsector en regionale economische ontwikkeling. Hier is sprake van ergerlijke verkwisting van belastinggeld. Bij het landbouwbeleid zijn de betalingen van de EU aan de boeren sinds 2005 grotendeels losgekoppeld van hun productie. Zij krijgen nu vooral geld voor een meer duurzame bedrijfsvoering en maatregelen die het dierenwelzijn en de volksgezondheid bevorderen. Overproductie als gevolg van kunstmatig hoog gehouden landbouwprijzen is in principe niet meer aan de orde.

Europa beschermt echter nog steeds zijn boeren via tariefmaatregelen, ten koste van producenten in de derde wereld. Wilde planten en weidevogels blijven slachtoffer van schaalvergroting in de sector. Bovendien is het systeem buitengewoon misbruikgevoelig. De Europese Rekenkamer concludeerde vorig jaar dat de doelstellingen van het nieuwe landbouwbeleid onduidelijk zijn, dat lidstaten de boeren nauwelijks controleren, terwijl de sancties op overtredingen onevenredig laag zijn. Zo werd een landbouwer die werd betrapt op het gebruik van illegale groeihormonen – waarmee duizenden euro’s per jaar worden verdiend – bestraft met een boete van 94,04 euro.

Zodoende is weliswaar de prikkel tot overproductie grotendeels verdwenen, maar deze is vervangen door een systeem dat uitlokt tot oneigenlijk gebruik. In reactie op de sterk verlaagde marktprijzen voor zuivel besloot de Europese Commissie dit voorjaar overigens weer ongelimiteerd boter en melkpoeder op te kopen tegen een garantieprijs. Verder kunnen producenten van boter en melkpoeder ook weer exportsubsidies krijgen. Onder druk van actievoerende zuivelboeren, die gewoon te veel melk aanvoeren, zijn we hier (tijdelijk?) weer terug bij de situatie van vóór 2005.

Gezien onze nettobijdrage aan de Europese Unie van 3,5 miljard euro per jaar brengen Nederlandse belastingbetalers in verhouding het grootste offer voor de financiering van het schadelijke en fraudegevoelige landbouwbeleid. Daar staat echter tegenover dat ons land met zijn kleine open economie onevenredig profiteert van de sterk toegenomen handel binnen het blok van de Eurolanden. Het Centraal Planbureau becijferde de extra economische groei op 35 miljard euro per jaar.

Al was het maar uit welbegrepen eigenbelang, slechts een kleine minderheid van de landgenoten wil dat Nederland de Europese Unie verlaat en de gemeenschappelijke munt opgeeft. Een meerderheid acht de bemoeienis van Brussel echter te groot.

Zowel sceptische burgers als uitgesproken voorstanders van juist een nog grotere rol voor Europa kunnen hun positie op 4 juni markeren. Het schematische overzicht van de programma’s in deze krant van 28 mei maakt duidelijk dat er echt iets te kiezen valt.

Tussen de positie van het eurovriendelijke D66 en de opvattingen van de SP en Libertas gaapt een diepe kloof. Wie komende donderdag niet gaat stemmen mist daarom een kans, die zich pas in 2014 weer aandient.