Tekort aan Europese representatie wreekt zich bij de PvdA

Bij de sociaal-democraten is de kloof met de kiezers groot. De interne vermarkting van Europa werd door een elite doorgedrukt bij een onwillige achterban. De Europese fractie is daar nog niet achter.

illustraties Milo milo

Cultuurhistoricus, publicist en actief debatterend lid van de PvdA

Net als de twee andere traditionele grote partijen kampt de PvdA met een kloof tussen politici en kiezers wat betreft de Europese Unie. Maar bij de sociaal-democraten is die kloof misschien nog wel extra groot. Wat de PvdA met CDA en VVD – en daarmee met vrijwel de gehele Haagse bestuurselite – deelt is dat ‘Europa’ jarenlang geen politiek thema was: iedereen was gewoon erg vóór Europa, en erg voor méér Europa, en verder was het iets van specialisten. Brussel bleef, zeker in een land dat zich sinds 1945 sterk op de Angelsaksische wereld oriënteerde, voor de meeste mensen mentaal ver weg.

Dat heeft zich na 1989 gewroken, toen de economische EEG in een politieke EU veranderde, die bovendien steeds groter werd. Noch over de gevolgen van de val van de Muur in 1989, noch over uitbreiding en verdieping van die Unie is in Nederland een publiek debat gevoerd. De gevolgen werden lang genegeerd, en vervolgens als onvermijdelijk gepresenteerd. Dat dankzij ‘Schengen’ niet alleen met Kerst de kopersfile richting Düsseldorf bij Zevenaar verdwenen zou zijn, maar het nu omgekeerd voor andere mensen gemakkelijker zou worden om na een proletarische winkelbeurt bij u thuis ongemerkt over de grens weg te komen, werd er door Kok en Lubbers nooit bij verteld: in het politieke pepjargon van destijds heette immers alles een ‘win-win-situatie’. Negatieve keerzijden bestonden niet. Die nalatigheid betreft alle drie politieke hoofdstromingen, en daarom worden zij – met de EU – nu ook alle drie door het electorale ongenoegen over die nalatigheid getroffen.

Maar de PvdA treft dit ongenoegen het hardst, omdat dit hele officiële Euro-optimisme gepaard ging met een ontwrichtende Angelsaksische neoliberale heilsleer, waardoor ook de PvdA zich tijdens de paarse jaren te veel op sleeptouw heeft laten nemen en waarvan wij nu de ideologische puinhopen aanschouwen. ‘Het moet van Europa’ werd – terecht of onterecht – een van de argumenten waarmee privatiseringsmaatregelen, die bij de PvdA-achterban op weinig sympathie konden rekenen, door de partijtop werden doorgedrukt.

De externe uitbreiding en de interne vermarkting van Europa werden gelegitimeerd met de noodzaak om in de globaliserende wereld mee te komen: de nieuwe, armere lidstaten heetten onmisbaar om extern de concurrentie met Amerika en China aan te kunnen, maar dat impliceert dat Nederland intern de concurrentie met die armere nieuwe lidstaten aan moet gaan.

Symbolisch werd een kwestie die in Frankrijk tijdens het referendum speelde: de directie van een autofabriek in Mulhouse had besloten het werk naar de aanstaande lidstaat Roemenië te verplaatsen. De werknemers mochten mee, als ze ook met Roemeense salarissen genoegen namen. Het management was dat voor zichzélf uiteraard niet van plan. Integendeel: deze winstgevende besparing gaf recht op een extra bonusexplosie. Is het dan vreemd dat veel Franse arbeiders zeiden: ‘Europa, nee bedankt’? Het eenzijdige marktfetisjisme van de EU betekent dat de directeur door het vervagen der grenzen op een mooie internationale carrière mag hopen, en de monteur moet vrezen dat hij zijn baan verliest. Niet toevallig scoorde het ‘ja’ tijdens het referendum over het Europees Grondwettelijk Verdrag in 2005 het hoogst in Wassenaar, Bloemendaal en het Gooi.

Met de opmars van de diplomademocratie is de politieke elite steeds minder representatief geworden voor de bevolking als totaal, en dat wreekt zich juist bij Europa en de PvdA. Internationalisering en flexibilisering zijn aanlokkelijk voor haar hoogopgeleide vertegenwoordigers die hun talen spreken en dus minder aan nationale eigenheid hechten; de culturele zelfontkenning gaat daarbij soms zover, dat het (geheel Nederlandse!) universiteitsbestuur in Maastricht onder leiding van oud-minister Ritzen inmiddels in het kader van de totale flexibilisering het Engels als vergadertaal hanteert.

Wat de PvdA-top (heeft) onderschat is de gehechtheid van haar doorsnee kiezers aan de sociale en culturele zekerheid van de nationaal georganiseerde verzorgingsstaat. Want de prijs voor die grenzeloosheid wordt niet in de studentenwijken maar in de ‘Schilderswijken’ betaald. Vandaar dat postmaterialistische grachtengordelpartijen als D66 en GroenLinks niet met dit probleem van PvdA (en CDA en VVD) kampen. In 2002, en opnieuw in 2006, kreeg de PvdA-Kamerfractie van die kiezersopstand de klappen. Aan de Eurofractie is die daarentegen electoraal nog voorbijgegaan, en dat verklaart een zeker inhoudelijk verschil tussen die fractie en de Kamerfractie.

Daar komt nog iets bij. De Haagse kaasstolp werkt op den duur vervreemdend ten opzichte van ‘de mensen in het land’, maar Kamerleden wonen in elk geval de hele week in Nederland en worden voortdurend met Nederlandse media geconfronteerd. Brussel wordt niet alleen overbevolkt door bezielde Europa-adepten, maar staat ook fysiek op beduidend grotere afstand van de kiezers thuis. Voor een Nederlandse Europarlementariër vormt daardoor onvermijdelijk veel minder de opvatting van die kiezer, en veel meer de opvatting van zijn fractiegenoten uit andere lidstaten het referentiepunt voor zijn eigen wereldbeeld. Dat bezorgt de PvdA – net als CDA en VVD – in deze verkiezingscampagne een extra handicap: men weet uitstekend ten bate van Nederland de weg in Europa, maar soms te weinig nog de weg in Nederland zelf.

    • Thomas von der Dunk