Niet-stemmen voor Europa is een roekeloze non-optie

De stempas ziet er mooi uit, een feestelijke uitnodiging. Donderdag mogen we er mee zeggen wat we van Europa vinden en verwachten. Voor veel mensen aanleiding tot een fikse gaap, voor niemand een makkie. Er is zo veel dat niet deugt, ‘ons’ wordt opgelegd, aan strijkstokken blijft hangen. In te veel gevallen waar, maar niet-stemmen is de slechtste van alle opties.

Volgens schattingen is maar eenderde van de kiesgerechtigden van plan te gaan stemmen. Overal hoor ik redelijke, actieve mensen zeggen: ik heb geen idee waar het over gaat, waar zou ik op moeten stemmen? Dat is een drama, maar wel verklaarbaar. Geboren uit ongeduld.

In de opbouwjaren 50 en 60 van de vorige eeuw was ‘Europa’ een manier om te zeggen: drie vreselijke oorlogen binnen een eeuw is wel genoeg. ‘Nooit meer oorlog’ is na 64 jaar vrede geen stemmentrekker meer. Zo goed gaat het. Europa is een verworven recht. Miljoenen kunnen het zich veroorloven zich er niet in te verdiepen. Een begrijpelijke vergissing.

De eurobiljetten zien er uit alsof zij door een commissie zijn ontworpen, maar de gemeenschappelijke munt en de grote, relatief open markt van inmiddels 27 landen hebben ook de Nederlandse economie een stabiliteit gegeven waar we zonder ‘Brussel’ naar hadden kunnen fluiten. Ga maar na hoe een IJslandse variant, geen economische bufferzone en een uit z’n krachten gegroeide bankensector Nederland had gevloerd.

Europa is ingewikkeld en onoverzichtelijk. De Unie is de afgelopen tientallen jaren een project geweest van politici, ambtenaren, lobbyisten, rechtsgeleerden en een paar verdwaalde journalisten. Die kregen rode koontjes bij zo veel moois en nieuws. Voor burgers werd ‘Europa’ nooit spannend. Misschien even als er leuke fraude opdook of een zotte Italiaanse kandidaat-Eurocommissaris werd weggestemd. Door het Europarlement, dat wel.

Maar er is vrijwel geen manier voor een gewone, geïnteresseerde burger om te volgen wat er speelt. Behalve als het te laat is. Dan wil de Haagse minister van Justitie opeens ieders telefoongegevens anderhalf jaar bewaren omdat een Europese richtlijn dat zou eisen. In deze en andere kwesties hebben Nederlandse bewindslieden de neiging ‘Europa’ te willen overtreffen, wijzend naar dat anonieme bureaucratenblok daarginds. Terwijl zij zelf die richtlijnen mee-opstellen.

Het Europees Parlement (EP) bestaat ruim vijftig jaar. Het heeft geleidelijk meer bevoegdheden verworven, maar de kiezers lijkt dat te lang te duren. In 1984 bracht 70 procent hun stem voor het EP uit. Dat percentage is van 59 in 1994 gezakt naar 45 in 2004. Als nu weer minder mensen het nut zien van stemmen, dan dreigt de pijnlijke paradox dat Europa zit met een Europees Parlement dat nog nooit zoveel macht heeft gehad en nog nooit zo weinig legitimiteit.

Als de Ieren dit najaar toch maar Ja zeggen tegen het Verdrag van Lissabon en de nieuwe Europese spelregels in werking treden, dan gaat Europa een fase in waarin het EP kan proberen nog meer vingers in de pap te krijgen. Namens de nu verweesde burgers. Geen parlement maakt daarbij veel indruk als die burgers net een lange neus naar het hele idee ‘democratie op Europees niveau’ hebben getrokken.

Dit is geen dreigement, zoals het kabinet onhandig met hel en verdoemenis dreigde aan de vooravond van het referendum over de Europese Grondwet in 2005. Meer een constatering. De partijen die, zoals de SP en de PVV, wagonladingen kritiek uiten op het functioneren van de Europese Unie, hebben in heel wat gevallen gelijk. De ‘klassieke’ partijen, die sinds 2005 in gedempte tonen over Europa praten, geven dat met hun gestreken vlaggen toe. Het kabinet heeft ook vier jaar in de kelder gezeten. Pas recent is staatssecretaris Timmermans (PvdA) vrijgelaten voor het broodnodige missiewerk.

Het is niemands persoonlijke schuld dat er geen helder gedefinieerde Europese politieke partijen zijn - het is ook lastig al die eigenwijzo’s die elkaars taal niet verstaan in één kruiwagen te krijgen. Maar in plaats van een beetje met de wolven in het bos mee te huilen, zouden bewindspersoon en Kamerleden kunnen proberen Europese debatten ‘binnenlands’ te maken. De WRR heeft daar twee jaar geleden goede voorstellen voor gedaan.

Nederlandse politici kunnen vooral ook actie ondernemen als weer een onzinnig uitpakkende Europese verplichting voorbij komt, in plaats van braaf meedoen. Schoolvoorbeeld: Europese aanbestedingen. Niet alleen voor schoolboeken, maar ook bijvoorbeeld in de schoonmaakbranche. Daar dwingt het als NIC verzelfstandigde Rijksinkoopbureau ieder bedrijfje om een omzet van minstens 3 ton te hebben, anders is het Europees aanbestedingsproces te ingewikkeld. Voor het ex- Rijksinkoopbureau. Net zo’n semi-publiek dictatoriaal orgaan als de Kamers van Koophandel. Volkomen in strijd met de nationale realiteit én premier Balkenendes terechte waardering voor de mkb- en zzp-wereld.

En toch, wel stemmen voor dat onvolmaakte Europees Parlement. Bij verkiezingen worden burgers uitgenodigd voor een keer staatsman te zijn. Daar hoort een historische blik bij. Natuurlijk, er zijn Europarlementariërs van wie je nooit meer hoorde. En dat miljoenenverslindende gereis tussen Brussel en Straatsburg, waar de Fransen zo aan hechten, is een schande. Maar welk continent met democratische ambities was in een paar jaar op orde?

Democratie is geen makkelijk project. Europa wordt niet Eén Groot Land. Eerder een unieke Unie, die nog nergens bestaat. De lidstaten hebben intussen op zo veel terreinen hun krachten gebundeld én gemeenschappelijke regels afgesproken dat nu niet-stemmen even verstandig is als het verlaten van een ruimtestation per schietstoel. Er zit niks anders op: stug doorgaan met repareren van binnenuit.