Het CDA moet nog missiewerk doen

Voor economische samenwerking is er nog draagvlak onder de kiezers. Maar het CDA moet uitleggen dat alleen Europa een stroom van economische vluchtelingen kan indammen.

illustraties Milo milo

Lid van de CDA-program-commissie voor deEuropese verkiezingen

In de aanloop naar de Europese verkiezingen overheerst, althans in Nederland, verdeeldheid over Europa. Enerzijds is de steun voor Europese samenwerking toegenomen, anderzijds zien de kiezers steeds minder heil in verdere Europese integratie (www.21minuten.nl). Daarnaast hebben de Nederlandse kiezers weinig vertrouwen in de politici en ambtenaren in Brussel. Veel kiezers zijn ook beducht voor een verder verlies van de Nederlandse identiteit door een almachtiger en groter wordende Europese Unie. Hoe moeten christen-democratische politici met deze paradox van bijval en beduchtheid omgaan? Is het CDA langzamerhand opgeslorpt in het centrum-rechtse conglomeraat dat Europese Volkspartij heet? En welke rol kunnen de Nederlandse christen-democraten in het Europese parlement spelen?

Het is bemoedigend dat zich een groot draagvlak aftekent onder de Nederlandse kiezers voor Europese samenwerking in economische en monetaire vraagstukken en in milieukwesties (klimaatverandering). De kiezers geven duidelijk aan waar Europa zich wel mee moet bemoeien (economie en veiligheid) en waarmee niet (asielbeleid en arbeidsmigratie). Dat ligt slechts deels in lijn met het verkiezingsprogramma van het CDA voor de Europese verkiezingen. Daarin wordt een sterk pleidooi gehouden voor Europese samenwerking om Nederlanders „een veilige, vredige en welvarende toekomst te bieden”. Tegelijkertijd wordt geconstateerd „dat de Nederlandse burger soms een gebrek voelt aan geborgenheid in de Europese Unie. De Unie is niet altijd onze Unie”.

Er moet nog wel het nodige politieke missiewerk worden verricht. Het CDA is er niet in geslaagd de Nederlandse kiezers te overtuigen dat een Europees asiel- en migratiebeleid noodzakelijk is, juist om een toestroom van economische vluchtelingen te voorkomen. Het verkiezingsprogramma schrijft terecht dat „de aanpak van illegalen die de EU zijn binnengekomen, de EU als geheel aan gaat” en dat „echte vluchtelingen (volgens het Verdrag van Genève) altijd welkom zijn in de EU en in Nederland”. Daarnaast kan het CDA natuurlijk nooit tegen de komst van arbeidsmigranten uit andere EU-landen zijn. Dat zou in regelrechte strijd zijn met één van de vier vrijheden van het Europese recht, namelijk een vrij verkeer van personen. Uiteraard moeten de werknemers uit de andere EU-lidstaten in alle opzichten voldoen aan de nationale wetgeving. Kortom, illegale situaties moeten hard worden aangepakt. Overgangsperiodes, zoals met Roemenië en Bulgarije afgesproken, moeten ook strikt worden nagekomen.

Het grootste gevaar dat Nederland en Europa de komende tijd bedreigt is het protectionisme en het nationalisme. Vanwege de diepe economische crisis ligt die tendens op de loer. Burgers zijn door de zeer onzekere economische omstandigheden (dreigende werkloosheid) sneller dan ooit geneigd om zich achter de landsgrenzen te verschuilen. Christen-democraten moeten daar wel oog voor hebben, maar mogen daar nooit aan toegeven. Dat past niet in hun traditie. Het waren immers christen-democraten die direct na de Tweede Wereldoorlog het initiatief namen tot Europese samenwerking. Die generatie had aan den lijve ondervonden dat nationalisme en protectionisme politiek tot grote verwoestingen kunnen leiden. Vandaar dat christen-democraten zich verenigden onder het vaandel van de Nouvelles Equipes Internationales, één van de voorlopers van de Europese Volkspartij. Gezaghebbende christen-democratische politici, zoals Adenauer, De Gasperi en Schuman, gaven leiding aan de eerste vormen van Europese samenwerking (EGSK en de EEG).

Direct na de Tweede Wereldoorlog werd de krachtige stem van Nederlandse christen-democraten gehoord in de EEG van zes landen. Allengs is die positie door de uitbreiding van het Europese integratieproces verzwakt. In de jaren 70 kreeg de christen-democratische Europese partijvorming weliswaar een sterke impuls vanwege de eerste directe verkiezingen voor het Europees parlement in 1979, maar het typische christen-democratische geluid verbleekte allengs. In Nederland werd gewerkt aan de totstandkoming van het CDA en in Europa aan de Europese Volkspartij. Terwijl de Nederlandse discussie ging over de vraag of in het Program van Uitgangspunten wel of niet een expliciete verwijzing moest zijn naar de Bijbel, mocht het woord christelijk niet in de naam de van de Europese Volkspartij. Want later in de jaren 90 sloten de niet christen-democratische Britse conservatieven en de populaire beweging van Berlusconi zich er ook bij aan. Deze twee partijen zijn wezensvreemde elementen.

De macht van het getal ontwikkelt zich dus in het nadeel van de Nederlandse christen-democratie. De Nederlandse christen-democratische kandidaten voor het Europees parlement moeten zich dus richten op die onderwerpen waar Europa werkelijk impact heeft: economische- en monetaire samenwerking en klimaatverandering. Statuur is ook van belang. Jan Peter Balkenende is een leider met veel politieke vlieguren. De christen-democratische opvolger van Euro-commissaris Neelie Kroes moet het zelfde gewicht hebben als zij.

    • Marnix van Rij