Het calvinistische verleden van Nederland is altijd weggemoffeld

Het feestelijk herdenken van Calvijn is nieuw, want tot nu toe werd hij altijd weggemoffeld, terwijl het land calvinistisch is. Sinds de jaren zestig staat het calvinisme voor krenterigheid en strengheid.

(Portret van Johannes Calvijn 1509-1564, © Leemage) Portrait de Jean Calvin (1509-1564), reformateur religieux et ecrivain francais. ©Leemage Leemage

Freelancejournalist en historicus. Was tot voor kort secretaris van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis.

Al maanden waart Calvijn door Nederland. Zijn geboorte, 500 jaar geleden, wordt vandaag met een toespraak van premier Balkenende in de Grote Kerk van Dordrecht herdacht. Maar dat laat onverlet dat Nederlanders nog steeds ongemakkelijk met hun gereformeerde verleden omgaan. Over de hele wereld, van Roemenië tot aan de Verenigde Staten en Korea, heeft het calvinisme impact gehad, maar alleen Nederland is begonnen als calvinistisch land. Ruim twee eeuwen is het dat gebleven, maar zelfs de erfgenamen doen hun best om dat uit alle macht te ontkennen. In de internationale historische wereld staat calvinisme voor burgerlijke daadkracht en revolutionaire openheid, maar in Nederland heeft men dat nog steeds niet door. Het wordt tijd dat dit land zijn historische karakter hervindt.

De Nederlandse Republiek (1572-1795) was een gereformeerd land. Tijdens de Grote Vergadering van 1651, waarop na de Vrede van Munster (1648) onder leiding van Jacob Cats de belangrijkste zaken grondig werden doorgenomen, werd dat zelfs officieel bevestigd. Behalve de godsdienst was ook de publieke orde in de Republiek gereformeerd. Regenten en publieke functionarissen moesten gereformeerd zijn. In alle openbare instellingen was het calvinisme de norm. Burgerweeshuizen voedden kinderen gereformeerd op. Bij openbare plechtigheden traden predikanten van de publieke kerk op, tot bij terechtstellingen toe. Wie een schuilkerk bezocht, was bewust katholiek of doopsgezind, maar wie er de voorkeur aan gaf op zondagochtend rustig op een bankje voor zijn huis een pijp te roken, was een gereformeerd mens, want dat was de vanzelfsprekende norm. De huidige mythevorming miskent niet alleen die publieke norm, maar legt ook een overdreven nadruk op pluriformiteit. In het huidige Nederland is veel meer diversiteit en tolerantiedan in het Nederland van de Gouden Eeuw.

Juist omdat het indertijd zo vanzelfsprekend was dat een overheid één religie oplegde, keken buitenlanders er vaak van op dat er zoveel andere kerkelijke richtingen getolereerd werden. In een aantal gewesten woonden inderdaad aanzienlijke katholieke minderheden, maar alleen in het bezette noordelijke deel van het hertogdom Brabant was de bevolking massaal rooms. In Amsterdam en het Hollandse Noorderkwartier kon je ook doopsgezinden, lutheranen, joden en anderen tegen het lijf lopen. Maar men moet niet overdrijven: alle niet-gereformeerde protestantse kerken telden samen hoogstens 5 procent van de bevolking. De meerderheid van de bevolking was op de een of andere manier gereformeerd, al varieerde de mate van betrokkenheid. Wie weet dat in Drenthe 97 procent van de bevolking gereformeerd was, kan bedenken dat niet iedereen dat even vurig zal zijn geweest.

Als Nederland tot 1796 zo duidelijk een gereformeerd land was, wat is dan de verklaring dat ook historici dat om het hardst proberen weg te moffelen? Recente en oudere factoren grijpen in elkaar. Sinds de culturele omwenteling van de jaren 60 is ‘calvinistisch’ een scheldwoord geworden. Het diende om zich af te zetten tegen de karige, gedisciplineerde wereld van Colijn en Drees (en diens – verzonnen – mariakaakjes). Door historisch onbegrip werd calvinisme het tegendeel van wat het oorspronkelijk was. In zijn beginjaren moest het calvinisme zich juist vrijpleiten van het verwijt van lichtzinnigheid. Dopers – de zwartgekleden van Rembrandt – verweten gereformeerden werelds te zijn. Katholieken moesten niets hebben van de calvinistische secularisering van de wereld.

Veel historici vinden het kennelijk moeilijk om tegen dit moderne misverstand over het strenge calvinisme op te boksen. Door dit muffe beeld kon het zelfs gebeuren dat het nationale kerkhistorische museum Catharijneconvent hooghartig het voorstel van het Deutsches Historisches Museum in Berlijn afsloeg om gezamenlijk een grote tentoonstelling op te zetten.

Bovendien projecteren historici een hedendaagse, individualistische benadering van religie op het verleden. Moderne mensen zien religie als een persoonlijke keuze. Daarmee sluiten ze aan bij de Verlichting die een hoge pet op had van de religieuze capaciteiten van de individuele burger. Maar het gaat ook om de wijze waarop sinds de 19de eeuw de gereformeerde erfenis werd verwerkt. Terwijl veel protestantse landen nu nog een staatskerk kennen, koos Nederland al in 1796 voor de scheiding van kerk en staat – heel erg vroeg dus.

In het nieuwe koninkrijk dat na de afscheiding van België gestalte kreeg, kreeg de grote katholieke minderheid, die opliep tot 40 procent, eindelijk een stem. In een coalitie met eerst de vrijzinnige en later de rechtzinnige protestanten vormden ze een machtsfactor van belang. Hun aanwezigheid maakte een gezamenlijk beroep op het calvinistische karakter van de Republiek problematisch. Op de economische macht en de schilderkunst van de Gouden Eeuw kon je trots zijn, de gereformeerde religie kon onmogelijk nog langer als nationaal referentiepunt dienen. Daar kwam bij dat de gereformeerde meerderheid, met een purisme inmiddels hervormd geheten, in brokstukken uit elkaar viel. De protestantse, liberale elite vormde – met een variant op Clausewitz – uiteraard de ware voorzetting van de oude calvinistische bovenlaag met andere inhouden. Ook de leiding van de Nederlandse Hervormde Kerk, de opvolger van de oude gereformeerde kerk, was vaak gematigd liberaal. Voor veel latere liberalen en socialisten, van oorsprong meestal hervormden, was de vervreemding te groot geworden. De directe erfgenamen voelden geen liefde meer voor het eigen gereformeerde verleden.

Dat werd in belangrijke mate bevorderd door de in het defensief gedrongen orthodoxie, die zich steeds nadrukkelijker op uitgerekend de Geneefse hervormer ging beroepen. Neocalvinisme noemen we dat nu. En het roerde zich niet alleen religieus, maar ook politiek. Calvinisme werd zo een partijnaam. Antirevolutionairen mochten dan wel – terecht – roepen dat het calvinisme de grondtoon van het volkskarakter uitmaakte, de liberale erfgenamen namen er nu van de weeromstuit afstand van. Zo werd het idee van een driestromenland bevorderd, waarin de gereformeerde erfenis achteraf kunstmatig gesplitst werd in een orthodoxe en een erasmiaanse traditie. (Het katholicisme vormde uiteraard de derde stroom.)

Is het erg dat het gereformeerde verleden miskend wordt? Men zou gemakkelijk kunnen betogen, dat Nederland de eerste eeuwen van zijn bestaan dan weliswaar een calvinistisch land mag zijn geweest, maar dat dat ook al weer twee eeuwen achter de rug is.

Men miskent dan, ten eerste, wel de doorwerking van dat verleden tot op heden. Nog tot ver in de twintigste eeuw bleef Nederland een protestants land. Van de drie landelijke kwaliteitskranten is NRC Handelsblad, meer dan de van oorsprong katholieke de Volkskrant en het neocalvinistische Trouw de erfgenaam van de oude hervormde elite. In de overlijdensadvertenties kon men de laatste decennia nog steeds de befaamde familienamen uit voorbije eeuwen langs zien komen.

Tot in de jaren 70 bleef Nederland een overwegend protestants land. Katholieken mochten door protestantse verdeeldheid dan de sleutels van de macht in handen hebben, de eerste roomse politicus die luidruchtig de trom durfde te roeren, was Van Agt en dat kwam omdat hij niet meer de leider van een exclusief katholieke partij was. Tot dan hielden roomsen zich altijd een beetje gedeisd. Als men niet ziet hoezeer de dominante cultuur van de Republiek tot op heden doorwerkt, overschat men de impact van de verzuiling. Katholieken deden daar massaal aan, maar onder protestanten was het slechts een kleine minderheid van neocalvinisten die zich afzonderlijk organiseerde. De dominante Nederlandse cultuur, van gereformeerd geleidelijk verschoten tot seculier, is nooit aan verzuiling ten prooi gevallen.

Een tweede punt is dat een anachronistische miskenning van de vroegere publieke rol van religie ons ook het zicht ontneemt op de waarden die nu die plaats innemen. Religie verdwijnt niet slechts, maar transformeert ook. het hedendaagse Nederland is een toonvoorbeeld van een maatschappij die steeds sterker probeert om centrale waarden opnieuw van bovenaf collectief op te leggen.

Het derde punt ten slotte. Het is altijd wat sneu als een land niet volwassen met zijn eigen geschiedenis weet om te gaan en ervoor wegvlucht. Nu geschiedenis opnieuw een onderwerp van nationale aandacht wordt, is het wel zo aardig als men die geschiedenis ook als een eenheid kan beleven. Juist omdat calvinisme niet meer de publieke norm vormt en ook niet meer het partijprogram van een politieke richting is, hoeft men niet meer op zoek naar een alternatieve liberale geschiedenis. Al te lang heeft men de hedendaagse tolerantie met veel kunst- en vliegwerk in de Gouden Eeuw willen ontdekken. Maar men hoeft de – naar huidige begrippen nogal magere – verdraagzaamheid van de Republiek niet tegenover het gereformeerde karakter te stellen, ze was er juist een onbedoeld gevolg van. Juist omdat het calvinisme tegenstribbelde bij haar publieke functie, liet ze onbedoeld ruimte voor andere stromingen. De Nederlandse pluriformiteit is een ongepland gevolg van de calvinistische hang naar zelfstandigheid. Juist de hedendaagse uitersten laten zich bij uitstek uit het gereformeerde verleden verklaren.

    • Jan Dirk Snel