Glazen plafond is bij politie twee keer zo dik

De ‘blauwe vrouw’ in de top van politie ondervindt weerstand. „Elke transformatie is pijnlijk.”

Nederland. Leusden. 04-2003. Leren omgaan met het dienstwapen of pistool. Aspirant - politieagenten op de schietbaan om te leren schieten. Op de foto doen de jonge agenten een schietestafette om te leren schieten na lichamelijke inspanning. Opleiding. Foto: Peter Boer/ Hollandse Hoogte Nederland. Leusden. 04-2003. Leren omgaan met het dienstwapen of pistool. Aspirant - politieagenten op de schietbaan om te leren schieten. Op de foto doen de jonge agenten een schietestafette om te leren schieten na lichamelijke inspanning. Opleiding. Foto: Peter Boer/ Hollandse Hoogte Boer, Peter;Hollandse Hoogte

Miriam Barendse was 26 jaar toen ze chef werd van een aanhoudingseenheid van de ME. Dat was nog geen andere vrouw gelukt. Ze deed mee aan alle gevechtstrainingen in de dojo, al hoefde dat niet. Al haar tegenstanders waren sterker.

Anja Grootoonk-Brink was de eerste vrouwelijke korpschef, in Alkmaar. Ze zat vlak na haar benoeming bij een politiecongres in het publiek. Een collega liep naar de microfoon en zei: „Een vrouw kan de politie niet leiden”. Ze stond niet op om er iets van te zeggen. Niemand deed dat.

Ineke Stam had al twintig jaar leiding gegeven bij een grote onderwijsorganisatie en bij de politieacademie toen ze hoofdcommissaris werd. Wat haar collega’s wilden weten was: ‘Heb jij wel in de wind gestaan?’

Het gaat niet goed met de aantallen vrouwen bij de politie. Na harde afspraken en goede bedoelingen werken er nog evenveel mannelijke korpschefs als tien jaar geleden. Minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken (PvdA) sprak daarom twee jaar geleden met de politietop af dat de helft van de vacatures voor de korpsleiding vervuld moest worden door vrouwen of allochtonen – voor allochtonen is het nog veel moeilijker er een betere baan te krijgen (zie kader).

Maar ze stuit op weerstand bij de korpsen. De korpschef van Zuid-Holland-Zuid werd onlangs een man, tegen de wil van de minister in. Ze verzette zich, maar later benoemde ze hem toch. En eergisteren bleek dat de politie in Zeeland niet wil dat een vrouw van de korpsleiding in Kennemerland er de baas wordt. Om de druk op te voeren had de commissie van Binnenlandse Zaken maar één kandidaat voorgesteld.

„Benoemingsprocedures bij de politie zijn vertrouwelijk”, zegt Magda Berndsen. „Regelmatig worden kandidaten afgewezen, dat zie je nooit in de krant. Nu twee keer wel als het om een vrouw gaat. Dat verwondert mij.”

Ze is korpschef van Friesland. Ze was tien jaar burgemeester – de laatste vijf jaar in Beverwijk – toen ze naar de politie ging. Nu moet ze er in de Raad van Hoofdcommissarissen voor zorgen dat vrouwen en allochtonen goed terechtkomen. „We hebben alles geprobeerd”, zegt ze, „verleiden, streefcijfers, bewustwording. Het lukt niet. Alle korpschefs zeggen dat ze het heel belangrijk vinden dat er meer vrouwen komen. Het gebeurt niet. We móesten wel harde afspraken maken. We hadden in Noorwegen gezien dat dat werkte, na veel weerstand.”

Miriam Barendse zat in het eerste jaar op de politieacademie in een klas met vijf vrouwen op vijfentwintig leerlingen.

Eén stopte met de opleiding.

Eén werkte kort bij de politie en ging toen met haar man, een accountant, mee naar de Verenigde Staten.

Eén werd manager bij een zorginstelling.

Eén werd leidinggevende bij de politie.

Miriam Barendse werd plaatsvervangend korpschef in Utrecht. Korpschef kon ze er niet worden. De regels schreven voor dat een plaatsvervanger niet mag doorschuiven naar de functie van korpschef. Ze wist niet wat ze dan zou gaan doen. Ze ging weg en werd zelfstandig adviseur. Ze wilde „de regie terug” over haar carrière. Nu is ze ingehuurd als interim-korpschef bij het korps Twente.

Het glazen plafond voor vrouwen is bij de politie twee keer zo dik als in andere organisaties, zegt Ineke Stam. De minister vroeg haar ervoor te zorgen dat meer vrouwen in de politietop komen.

Stam snapt heel goed waar de weerstand vandaan komt. Elke transformatie is pijnlijk. Zo heel veel topfuncties zijn er niet bij de politie. Dus als je afspreekt dat ‘natuurlijk’ ook vrouwen de korpsen moeten kunnen leiden, betekent dat ook dat je tegen capabele mannen moet zeggen: nu even niet. Ga maar eens een paar jaar buiten de organisatie kijken, of bij de politie in een ander land. Kom dan maar terug. Ze wilde toch al dat agenten dat gingen doen. „Om uit dit soort processen te komen heb je prikkels van buiten nodig”, zegt Stam. Toen ze nog maar net in het bestuur van de politieacademie zat, schafte ze daarom ook de internaten af.

Politiemensen zijn maatjes. Ze gaan voor elkaar door het vuur. Ze zijn een grote blauwe familie. Dat is goed, maar ook beperkend, zegt Stam. Collega’s worden voor functies voorgedragen omdat ze elkaar nu eenmaal kennen. Ze weten wat ze aan elkaar hebben. In een 24-uursorganisatie als de politie heb je dat nodig, zeggen ze. Je moet elkaar kunnen vertrouwen. Een politieman in Roosendaal vertelde laatst dat hij een voorselectie ging doen, bij nieuwe politieagenten. Het belangrijkste selectiecriterium was: ‘Zou ik met deze persoon in de auto willen zitten?’

Politievrouwen met ambitie kunnen het best in een groot korps werken. De cultuur is er minder behoudend en er komen meer functies vrij.

Ze kunnen ook beter niet het klassieke pad volgen: politieagent, buurtagent, groepschef, plaatsvervangend districtschef, districtschef, lid van de korpsleiding en dan korpschef. Vrouwen aan de top van de politie zijn bijna allemaal zij-instromers. Veel korpschefs weten wel dat ze soms moeite moeten doen om vrouwen binnen te houden. Maar op de werkvloer is de cultuur nog wat behoudender, zegt Miriam Barendse. „Veiligheid is bijvoorbeeld een issue. Politiemensen voelen zich soms veiliger met een brede man naast zich.”

Ze is de enige ‘blauwe vrouw’ die het tot korpschef schopte. Ze was de oudste van zes kinderen; een van de jongens zou het tuindersbedrijf van haar vader overnemen. Zij wilde ook leiding geven. Bij het korps Utrecht kon dat. Haar korpschef zei uit zichzelf dat vier dagen werken ook prima was, als ze ooit kinderen wilde. Hij wilde vrouwen in de leiding, toen nog meer omstreden dan nu. Het was ook in Utrecht dat de eerste man in deeltijd ging werken, huidig korpschef van het KLPD Ruud Bik. Hij kreeg een derde kind, zijn vrouw werkte bij een bibliotheek.

Maar er zijn ook factoren die ervoor zorgen dat vrouwen niet verder komen die minder grijpbaar zijn dan de grootte van een korps.

Politiemensen moeten aan bepaalde eisen voldoen, zogenoemde competenties. Er zijn er negen. ‘Moed’ is er een en ‘stressbestendig’, maar ook ‘sociabel’ en ‘empathisch’. Een korps mag zelf kiezen welke het belangrijk vindt. Bij een afwijzing krijgen politiemensen te horen dat ze bijvoorbeeld aan de competentie ‘resultaatgericht’ nog moeten werken. De motivering is voor de beoordeelde niet altijd helder.

Politiemannen zeggen steeds: wij doen niets af aan kwaliteit. Maar, zeggen de geïnterviewden, het zijn de mannen die bepalen wat kwaliteit is. „Competenties worden op een mannelijke manier uitgelegd”, zegt Anja Grootoonk-Brink. „Stressbestendig ben je als je niet van de leg raakt door een moord. Maar toch ook als je werk, gezin en sociaal leven goed kunt combineren? Bij moed denken ze aan een troepencommandant, maar moed is ook beginnen aan een functie waarvan je de ballen verstand hebt.”

Anja Grootoonk is nu gemeentesecretaris in Almere. Ze ging weg omdat ze het niet eens was met plannen voor een nationale politie. Niemand vroeg haar waarom ze wegging. Laat staan dat ze haar tegenhielden. Ze bleef bij de politie ook merken dat ze van buiten was gekomen. Ze had niet aan een half woord genoeg. Net als andere korpschefs was ze tegen prestatiecontracten die de overheid met de korpsen wilde sluiten. Ze zei: ik doe het niet. De anderen knikten. Hoe kon ze weten dat als je bij de politie als enige nee zegt, iedereen verwacht dat je het toch doet?

Ze wil misschien wel eens terug naar de politie. Haar hart gaat nog altijd sneller kloppen als ze een politieauto ziet die „met de pit (sirene, red.) erop wegscheurt”.

    • Esther Rosenberg
    • Merel Thie