Europese verkiezingen crucialer dan ze lijken

Tot een evenwichtige kosten-batenanalyse van Europa zijn veel kiezers in Nederland niet bereid. Volgens het opinieonderzoek 21minuten wil een meerderheid wel de lusten van de Europese samenwerking maar niet bijdragen aan de lasten ervan. Dat de Nederlandse economie meer dan die van ander landen op Europa draait, is kennelijk zo logisch dat er amper over wordt gesproken. Dat Nederland meer aan Brussel afdraagt dan het terugkrijgt, wordt tegelijkertijd echter als onrechtvaardig ervaren.

Wanneer het gaat om een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, klimaatbeheersing of financieel toezicht op de bancaire sector, dan is meer dan de helft van de bevolking gunstig gestemd. Als tegenwicht voor China, India en Amerika wordt Europa nog positiever beoordeeld. Maar de keerzijde van die medaille, zoals het streven naar een gecoördineerd asielbeleid en vrij verkeer van werknemers, wordt verworpen. De eenwording is dan zelfs een bedreiging voor de vaderlandse identiteit, zegt de helft van de bevolking volgens 21minuten. Die angst gaat eraan voorbij dat het onderwijs, toch bij uitstek identiteitsbepalend, terecht amper door Europese richtlijnen beïnvloed wordt. Maar in de meningsvorming over Brussel staan feit en fictie nu eenmaal vaker op gespannen voet met elkaar.

In dit klimaat vinden donderdag verkiezingen voor het Europees Parlement plaats. In 2004 ging 39,3 procent naar de stembus. Nu is het eerder de vraag of de opkomst hoger zal zijn dan de dieptepunten van 1994 (35,7) en 1999 (30 procent). Dat gebrek aan enthousiasme is op zichzelf niet raar. Het Europees Parlement is een orgaan waarvoor de burger geen strijd heeft hoeven leveren. Het is de kiezer in de schoot geworpen, net als de waterschappen.

Het geeft ook anderszins geen pas de burger te verwijten dat hij of zij apathisch is. Veel politieke partijen hebben er ook een bijdrage aan geleverd om de desinteresse te bestendigen. De leuze ‘Europa. Best belangrijk’, die in 2004 door een externe pr-adviseur was verzonnen, was een eerste dieptepunt. Veel grote partijen die de Europese eenwording in hun vaandel droegen, zijn na de harde nederlaag bij het grondwetreferendum in 2005 bovendien een dubbelzinnige koers gaan varen om de kiezer tegemoet te komen. Ze verontschuldigen zich dat eenwording en uitbreiding te hard zijn gegaan maar ze hopen dat het oude ideaal niet uit het oog wordt verloren. Alleen de uitgesproken federale of anti-federale partijen excuseren zich niet.

Het gevolg is dat de politisering, waartoe het referendum in 2005 dwong, weer ongedaan is gemaakt. Zelden is er zo weinig over de politieke kant van Europa gesproken als dit jaar. Zelfs de rol van het Europarlement, een pièce de résistance in het debat over het democratische tekort van de EU, is amper geagendeerd.

Maar daarvoor is juist aanleiding. De volksvertegenwoordiging weet dat haar controlerende macht gering is, omdat de Commissie ondergeschikt is aan Raad en nationale regeringen. Daarom ontpopt het Parlement zich nu meer tot een orgaan dat niet passief reageert maar actief mee schrijft aan richtlijnen en mee bestuurt.

Die ontwikkeling leidt niet tot spectaculaire confrontaties. Maar ze draagt wel bij aan meer legitimiteit voor het Parlement. Een lage opkomst zou die voorzichtig positieve trend weer ondermijnen. De Europese verkiezingen zijn dit jaar belangrijker dan ze vaak waren.