Er blijft plaats voor liberale idealen

Euroscepsis moet liberalen niet afhouden van Europese oplossingen. Veel kiezers willen het nog steeds.

illustraties Milo milo

Columnist, radiopresentator en liberaal.

Afstand schept niet alleen distantie, afstand schept ook helderheid. Terwijl in Nederland de VVD en D66 hun uiterste best doen hun politieke verschillen te vergroten en zelfs te overdrijven, als daar electoraal gewin van te verwachten valt, zitten ze gezamenlijk in één en dezelfde liberale fractie van het Europese Parlement, de zogeheten ALDE groep (Alliance of Liberals and Democrats for Europe). Op Europese hoofdlijnen kunnen die twee liberale partijen het kennelijk best vinden. Daarmee breken ze met die typisch Nederlands-protestantse traditie, waarin van oudsher het kleinste verschil van opvatting goed is voor een afsplitsing. Maar misschien is het voor liberalen wel gezond met die traditie te breken, en in ieder geval in character.

Politiek gaat over het vergaren van invloed en macht, zodat er praktische besluiten worden genomen, die kunnen worden uitgevoerd. Daarbij is het verstandig, wanneer fracties worden gevormd op basis van een minimumprogramma, waarin alle deelnemende partijen zich kunnen herkennen, zonder dat het narcisme van het kleine verschil de hoofdrol speelt.

Die liberale ALDE-fractie is een flinke partij geworden, de derde in het Europese Parlement, waarin naast de VVD en D66 ook de wat behoudender Duitse FDP, de Britse Liberal Democrats, het radicaal liberale Italiaanse Margherita en nog weer andere partijen zitting hebben. Onderling zijn er genoeg verschillen, maar de liberaal-democratische overtuiging staat bij alle deelnemers buiten kijf.

De grootste Europese fractie wordt gevormd door de EVP, de Europese Volkspartij, waar voor Nederland het CDA aan deelneemt en voor Italië Berlusconi’s partij en ex-neofascist Franco Fini. Het is maar dat u het weet, wanneer u uw Europese stem uitbrengt: de normen en waarden van Balkenende worden in Italië net wat frivoler uitgelegd.

Zover hoef je nu ook weer niet te gaan. Ik kan me goed herinneren dat de Oostenrijkse ‘liberalen’ onder leiding van Jörg Haider uit de Europese liberale club werd gezet, en dat was ook heel verstandig, want met liberalisme had Haider niets te maken. De christen-democraten zijn zo bezien wel heel rekkelijk, om niet te zeggen opportunistisch, wanneer het om hun waardenstelsel gaat.

Al die relatief nieuwe Europese fracties moeten iets van hun nationale veren thuislaten, en zich bezinnen op de kernpunten van hun Europabeleid. De christen-democraten en de conservatieven, verenigd in de EVP, houden vast aan hun volksgemeenschappelijke denken en hun christelijke, of judeo-christelijke waarden, zoals ze dat sinds kort noemen. De vraag is of ze daarmee de essentie van het huidige Europa raken.

De sociaal-democratische fractie zit ook gebakken aan hun sociaal-democratische ideologie, ontstaan in een tijd dat er alleen natiestaten bestonden en arbeiders nog nooit in een auto hadden gereden.

De ALDE-fractie heeft via haar liberale verleden heel wat betere voorbeelden in huis. Ik denk nu aan de Amerikaanse filosoof en psycholoog John Dewey (1859-1952), die samen met andere denkers als Charles Sanders Pierce en William James het ‘pragmatisme’ in het leven heeft geroepen. Het pragmatisme is een anti-ideologische stroming, waarin de praktische consequenties van een politieke theorie of besluit voorop staan. Om een voorbeeld te geven uit Dewey’s tijd: er werden toen heftige filosofische debatten gevoerd over de vraag of de wereld uiteindelijk geregeerd werd door de materie (het materialisme, marxisme) of de (wereld)geest (de Hegelianen, en idealisten).

Dewey vond een uitweg uit deze moraaltheologische soep, door te stellen dat de wereld, zoals die zich aan ons voordoet, niet veranderd door een materialistische of idealistische visie. Die wereld vraagt niet om filologie of een woordenstrijd, maar praktische oplossingen.

Zo ook dreigt de Europese politiek ten onder te gaan in ideologisch gekrakeel. Moet Europa nu de federale, de confederale, of helemaal geen Europese richting opgaan (zie de PVV). Vragen, waarover slimme, wat ouwelijke pubers zich uren het hoofd kunnen breken. Maar interessanter is om te kijken naar wat Europa tot dusver is, en is geworden. De duurzame vrede, die de directe aanleiding vormde voor het naoorlogse Europese project is bereikt, de gemeenschappelijke vrije economische Europese markt heeft alle lidstaten en haar burgers voordelen gebracht, van vrij verkeer en vestiging, tot aan goedkoop telefoneren en vliegen.

Je kunt dat Europa verdedigen, omdat er een judeo-christelijke waarde aan ten grond slag zou liggen, maar efficiënter is te constateren, dat een aantal Europese besluiten domweg werken, en praktische voordelen opleveren.

Het Europese project is tot ver in de jaren 90 een soort heilig doel geweest. We moesten één worden. Hier klinkt, filosofisch gesproken de overspannen-idealistische geest van Hegel door, en zijn obsessie met het Ene. Want waarom moest dat eigenlijk? Werkte dat éénworden dan ook beter? Nu, op sommige gebieden wel, en daar moet op praktische wijze mee worden doorgegaan.

De vraag of Europa zich ontwikkelt tot een Superstaat, hoort thuis in het griezelkabinet. Juist nu de macht van het Europees Parlement wordt vergroot, hebben de burgers dat in toenemende mate in eigen handen. Ook de PVV realiseert zich dat terdege, anders zou die partij geheel afzien van deelname aan de Europese verkiezingen.

De liberalen moeten, ook in deze eurosceptische tijden, geen angst hebben voor oplossingen, die werken op Europees niveau. Als er in Rusland of China of elders in de wereld weer eens op grove schaal mensenrechten worden geschonden, helpt het wanneer Europa, met zijn grote economische macht, daar met één mond tegenin gaat. Ja, Poetin kan eerst Merkel ontvangen, en dan Sarkozy en Brown en heel misschien ook nog Balkenende, die elk voor de laatste keer waarschuwen, maar als een gevolmachtigde Europese man of vrouw het Europese standpunt uit de doeken doet en eventueel met sancties dreigt, heeft dat zoveel meer effect.

Moeten we dan toe naar een Europese minister van Buitenlandse Zaken? Ik zou dar niet zoveel bezwaar tegen hebben, maar de helft van de Nederlanders wel, blijkt uit het 21 minutenonderzoek, waarvan de resultaten woensdag in deze krant te lezen waren. Ik citeer: „De helft van de Nederlanders ziet in zo’n functie geen toegevoegde waarde.” Ik vind dit allerminst een somber beeld, want de andere helft ziet de toegevoegde waarde van zo’n supra nationale minister wel, en dat kan nauwelijks te danken zijn aan de overtuigingskracht van de Nederlandse europarlementariërs, want die hoor ik er amper over. En ondanks die angstige stilte ziet de helft al ‘toegevoegde waardes’. Er zijn echt beroerdere startposities denkbaar.

Politiek is de vaardigheid van het argumenteren, debatteren, nog eens een nieuw argument naar voren brengen, en overtuigen. De Europese politici zijn het van oudsher niet gewend het politieke mandaat van hun kiezers serieus te nemen, velen voelden zich halve ambtenaren, maar ik zou zeggen: haal die zeepkist uit de schuur.

De liberalen hebben een belangrijk erfgoed te verdedigen, dat van de vrijheid, het individualisme en de democratische rechtsstaat.

En de paradox is, dat zoiets het beste op pragmatische, dat wil zeggen niet-ideologische wijze kan gebeuren.

    • Stephan Sanders