'Componeren gaat niet over mooi of lelijk'

Geen andere, nog levende componist had zo’n grote invloed op het Nederlands muziekleven als Louis Andriessen. Volgend weekend wordt hij 70.

Louis Andriessen (Foto Karoly Effenberger) portret van louis andriessen 1 mei, 2009 svp.incl,negatiefrand afdrukken. Effenberger, Karoly

2009 mag het al drukke gedenkjaar zijn van Purcell, Mendelssohn, Händel en Haydn, het is zeker óók het jaar van Louis Andriessen. Volgende week zaterdag wordt hij 70. Eerder deze maand bracht het Haagse festival Dag in de Branding al een selectie niet eerder uitgevoerde stukken uit Andriessens prilste beginfase. In het Holland Festival is zijn verjaardag aanleiding voor drie concertprogramma’s in het Concertgebouw en het Muziekgebouw aan het IJ.

U zei ooit: elke compositie is een poging beter te worden. Kunt u eigen ouder werk dan wel verdragen?

„Ja hoor. Ik ben door de wol geverfd, doordat ik het geluk heb dat mijn muziek regelmatig wordt uitgevoerd. Maar meestal zijn de stukken natuurlijk niet zo oud als Constructions (1961): balletmuziek voor groot orkest. Daar was ik ook wel erg nieuwsgierig naar. Het beviel me beter dan verwacht. Ik keur eigen werk sowieso niet af, want er is nooit iets helemaal goed of helemaal slecht. Zelfs de stukken van toen ik veertien was, hebben wel iets aparts.”

Na 1970 componeerde u niet meer voor orkest; ‘Constructions’ is een curiosum in uw oeuvre. Hoe ziet u dat nu? Hebben orkesten toekomst?

„Ach, opvattingen gaan in golven. Rugzakjes, nu gemeengoed, waren in mijn jeugd het alleridiootste denkbaar. Ik durf dus niet te voorspellen waar het met de muziek naartoe gaat. Ik ben van een generatie die vindt dat muziek is gebaat bij een groot en divers aanbod aan ensembles.”

Die er tijdens de laatste subsidieronde fiks van langs kregen.

„Politici haten kunst, en in dit geval was dat heel erg zo. Daar heb ik alleen negatieve woorden voor.”

Tino Haenen, directeur van het Muziekgebouw, vindt dat de ensembles hier erg op Nederland gericht zijn. Daarom is uw muziek in Frankrijk onbekend. Deelt u die mening?

„Je hebt te maken met smaakculturen. Mijn muziek wordt hooggeacht in de Angelsaksische landen, en in Frankrijk inderdaad niet. Maar ik geloof niet dat dat te maken heeft met de manier waarop de Nederlandse ensembles zich profileren. Wie je wereldwijd ook spreekt: voor de uitvoeringspraktijk van nieuwe muziek zijn wij nog steeds het voorbeeldland.”

Uw besluit niet meer voor orkest te componeren was fel anti-bourgeois; een uiting van democratisch idealisme. Nu zijn we veertig jaar verder en ik zie: concerten van ensembles zijn nog elitairder dan die van orkesten.

„Jij denkt aan de buitenkant, ik had het over de binnenkant. Toen ik Orkest De Volharding oprichtte, was dat opdat alle musici in dat orkest dezelfde informatie kregen, zodat ook iedereen kon arrangeren en componeren. Daar kwam bij dat orkestmusici mijn muziek vervelend vonden om te spelen, dacht ik. Nu is dat anders; de scheidslijn tussen orkest- en ensemblemusici is vervaagd.”

Dus als het Concertgebouworkest u nu een opdracht geeft...

„Artistiek directeur Joel Fried heeft me al benaderd. Hij is een buitenlander, hij weet dat ik heel goed ben, of zo. Een Nederlandse orkestdirecteur zou zo’n verzoek nooit doen. Dus ja, hier komen we nog wel op terug.”

Ik denk eerder dat Nederlandse orkestdirecteuren uw achtergrond kennen en niet durven vragen.

„Ik denk het niet. Maar goed. Het ís ook zo dat ik het geluid van een orkest altijd saai heb gevonden. Strijkers heb ik niet zo nodig, en juist wel allemaal rare blazers en elektronica. Dat is voor een orkest een hoop geëmmer. Achteraf gezien ben ik er erg tevreden over dat ik meteen gekozen heb voor een eigen geluid in de bezetting. Dat heeft me erg geholpen bij de stukken die ik wil maken.”

Opvallend: u schrijft steeds meer vocale muziek. Vooral dankzij zangeres Cristina Zavalloni, wier stem puurder klinkt dan die van klassieke zangers. Wat trekt u daarin zo?

„In de laatromantische, vooral Duitse opera is de verstaanbaarheid ondergeschikt. Bijna elke noot staat apart, en wordt gezongen met een zwelling. Je hoort geen medeklinkers, en dan is er nog dat enorme vibrato. Ik vind dat raar klinken. Heel erg lelijk, ook. Er wordt nooit mooi legato gezongen, dat is toch erg?”

‘Mooi’ hangt af van het repertoire.

„Oké, in Wagner mag je een beetje brullen. Maar ik denk dan toch: afschuwelijk.”

Is er 19de-eeuwse muziek die u wel bevalt?

„Ik ben sterk georiënteerd op de Franse laatromantiek; de muziek die mijn vader, componist Hendrik Andriessen, erg goed kende, begreep en aanvoelde. Ik voel me daar heel erg aan verbonden. Zelf componeren in de stijl van Chausson? Ja, dat gaat me zeer goed af.”

U heeft generaties componisten lesgegeven. Wordt er in Nederland goed gecomponeerd op dit moment?

„Er wordt altijd goed gecomponeerd, als je je componisten maar in de watten legt. Maar er zullen altijd, in elke tijd, ook slechte componisten zijn. Daar moet je je bij neerleggen.”

Geeft u nog veel compositieles?

„Mja, maar mijn studenten zijn meestal wel al klaar met hun mastersopleiding. Dan komen ze praten en geef ik wat tips.”

Wat is een goede tip? De leerling zoekt zijn stijl, maar in een leraar-leerlingrelatie is beïnvloeding reëel.

„Dat is zo, al kan ik na dertig jaar lesgeven niet één oud-leerling noemen die ‘heel erg naar Andriessen’ klinkt. Ik zou trouwens niet weten hoe ‘Andriessen’ dan precies klinkt, want ik wil juist altijd iets doen wat ik niet al eerder gedaan heb. In lessen probeer ik vooral mensen zoveel mogelijk keuzes aan te bieden. Wat hoort in een stuk thuis, wat niet? Wat kun je op dit punt in de muziek allemaal doen om verder te komen?”

Na uw hartinfarct, in 1995, ontstond de ‘Trilogie van de Laatste Dag’. Uw eigen muziek werd persoonlijker.

„In het eerste deel klinken allemaal canons, waarvan de één sneller gaat dan de ander. Ze lopen zo uit elkaar dat je kan spreken over meer muzikale gedachten. En daarmee gaat die muziek natuurlijk eigenlijk over Beethoven.”

Eh..?

„Met de contrasten tussen meer muzikale gedachten in één stuk zette ik voor het eerst een voet in de 19de eeuw. Daar komt bij dat ik me de laatste jaren door de grotere nadruk op vocale muziek óók meer met tonale verbanden ben gaan bezighouden, en dat ervaren mensen snel als ‘persoonlijker’. Zo’n slotkoortje in mijn laatste opera La Commedia, dat is een soort laatromantisch Frans walsje.”

Men denkt: de muziek is mooi, dus Andriessen wordt persoonlijker?

„Daar komt het op neer. En ik vind het allemaal best. Maar de opwinding die ik voelde toen ik in De Staat die klappen uitdeelde, was minstens zo groot en dus óók persoonlijk. Elk stuk stelt eigen grenzen aan wat je goed vindt, wat je vulgair vindt, enzovoorts.”

‘De Staat’, heb ik altijd nogal harde mannenmuziek gevonden.

„Ik ken ook heel gemene en lawaaierige vrouwen. Maar inderdaad: in dat stuk wilde ik met de vuist op tafel slaan. Dat is gelukt. Het is het enige Nederlandse muziekstuk waar ooit iemand een heel boek over heeft geschreven. Maar hoe een stuk klinkt, heeft met dat stuk zelf te maken en niet met mijzelf in een bepaalde periode. Ik schreef in die tijd ook Dances, en dat is behoorlijk mooie meisjesmuziek. Ik was zelfs een tijdlang berucht om de sentimentele liedjes voor toneel die ik maakte.”

Uw toneelmuziek, zei u ooit, ontstond sneller dan werken als ‘De Staat’. Is ze u ook minder dierbaar?

„Twintig minuten toneelmuziek schreef ik in een weekje. Aan De Staat heb ik jaren zitten frummelen. Dus ja, daar beleef ik zeker meer voldoening aan. Je kunt erover twisten wat mooier klinkt, maar dáár zijn componisten niet mee bezig, zet dat maar uit je hoofd! Je schrijft datgene wat de muziek je vraagt te schrijven. Het werk moet gedaan worden. En dat wordt, zoals Stravinsky zei, steeds moeilijker. Soms hoor ik mezelf in oudere stukken dingen doen die ik nu niet meer zou durven.”

Denkt u bij het componeren aan een imaginaire luisteraar?

„Je componeert wel vanuit de luisteraar, maar vanuit een abstracte, eerste luisteraar. Van het publiek heb je geen idee, zo min als van hoe iets overkomt. Nou, goed, als je héél goed je best doet kun je je portemonnee vullen. Maar componisten die zo publieksgericht werken, zijn niet mijn vrienden.”

Hetgeen niet wil zeggen dat grote kunst niet ook zeer geliefd kan zijn.

„Alleen schrijvers scheppen soms een meesterwerk dat ook een bestseller wordt. Ik denk dan vooral aan dikke boeken, want ik lees bijna alleen maar hele dikke boeken. Eco’s De Naam van de Roos , Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid. Dat is een voordeel van ouder worden: ik lees steeds moeilijker boeken. Als iets amusant wordt, vind ik het snel vervelend.”

Terwijl ironie uw handelsmerk is!

„Ironie is, zoals je hoop ik weet, vooral een hele hoge vorm van melancholie. Ik heb ook eindelijk Gogols Dode zielen gelezen.”

En daarnaast componeert u door tot de dood.

„Dat was wel de bedoeling, ja. Maar ik merk dat ik sneller moe ben, minder uren maak. In Frankrijk, in het huis van mijn boezemvriend Reinbert de Leeuw, kan ik zes uur achtereen werken. Thuis ben ik blij met twee. De lunch uitstellen, dat scheelt. Anders gaat de energie naar de maag. Dat is ontzettend onverstandig.”

Andriessen in het Holland Festival. Concerten om 12 en 14.15 uur, Concertgebouw Amsterdam en in het Muziekgebouw aan het IJ, 20.30 uur. Radio 4: 6/6 vanaf 12 uur (live).