Broeders in nood

Ambulancebroeders in Amsterdam-West voelden zich vorig jaar bedreigd door Abdullah S., de broer van een neergestoken jongen. Komende week staat hij voor de rechter. Anatomie van een rel.

De personen in deze beeldmontage zijn anderen dan de betrokkenen in dit verhaal. beeldmontage NRC Studio Visser, Hilko

Het was straatgeweld op buurtniveau, maar werd een grote zaak. Op 3 september 2008 bedreigde een 20-jarige man in Amsterdam-West ambulancebroeders die zich over zijn neergestoken broertje van 15 hadden ontfermd. ‘Als hij doodgaat, maak ik jou ook dood!’

Hoewel de broeders geen haar werd gekrenkt, het broertje de steekpartij overleefde en de buurt rustig bleef, werd het landelijk nieuws. De ambulancebroeders vertrokken halsoverkop, legden enkele uren het werk neer en eisten een gesprek met burgemeester Cohen. Die zei na dat gesprek tegen de pers dat het vooral ‘onze Marokkaanse medeburgers’ waren die ambulancebroeders belaagden.

De 20-jarige man, Abdullah S., bleek een hbo-student bedrijfseconomie van Marokkaanse afkomst. Hij bood op AT5 zijn excuses aan. Later werd hij gearresteerd. Hij zat negentien dagen in voorarrest. Woensdag komt hij voor de rechter.

In januari was er weer een ambulance-incident. Een 31-jarige dronken man in Uden bedreigde ambulancepersoneel dat zich over zijn vader had ontfermd, die een slagaderlijke bloeding had. ‘Als hij het niet haalt, doe ik jullie wat!’ Hij werd aangehouden en een dag later vrijgelaten. Na een snelrechtprocedure kreeg hij een werkstraf van zestig uur.

Het Amsterdamse incident had een langere nasleep. Door de uitspraak van Cohen was Abdullah S. geen willekeurige Nederlander die de controle over zichzelf had verloren, maar stond hij voor ‘de’ Marokkaanse jeugd die ‘de’ hulpverleners hun werk niet laat doen. Zoals gebruikelijk waren er twee kampen: zij die vonden dat Cohen de Marokkaanse gemeenschap stigmatiseerde, en zij die blij waren dat hij de ‘Marokkanenterreur’ aan de kaak stelde. „Het lijkt wel of hij het licht heeft gezien”, zei Tweede Kamerlid Hero Brinkman van de PVV in Het Parool.

Eerst de feiten

In dit artikel keren we terug naar de buurt en de direct betrokkenen van het voorval zelf. Wat gebeurde er precies? Hoe kon juist dit incident deze lading krijgen?

Eerst de feiten.

Ambulancechauffeur Ron Sitek (52) en ambulanceverpleegkundige Gijsbert Molenaar (53) reden woensdag 3 september rond half zes ’s avonds in het centrum van Amsterdam toen de melding kwam dat er iemand was neergestoken in West. In zeven à acht minuten waren ze ter plekke.

Ron Sitek: „We zagen een jochie van 14, 15 liggen, hevig bloedend, met publiek op afstand. De politie was er nog niet. We hoorden wel een sirene.” Volgens het protocol moesten ze wachten, maar ze besloten dat niet te doen omdat het veilig leek.

„Hij was in de linkerlong gestoken”, zegt Gijsbert Molenaar. „Zeven, acht centimeter, een vrij grote wond. Het mes was diep naar binnen gegaan. Zijn borst lag open, het bloed gutste eruit.”

Het werd drukker op straat. Via de portofoon bleef Sitek om de politie vragen. Ook het aanrijdende traumateam van het VU-ziekenhuis hoorde dat. Dat moest eigenlijk ook wachten op de politie, maar besloot door te rijden om het ambulancepersoneel bij te staan. Bij aankomst was de politie er nog steeds niet.

Trambestuurder Cees Bergen (56) liep zijn huis uit om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag een jongen op de grond liggen met ambulancebroeders naast zich. Ook zag hij „een stuk of dertig” jongeren aan komen lopen. Bergen vroeg of ze afstand wilden houden. „Dat deden ze, sommigen na wat aandrang. Ze zijn netjes blijven staan.”

Khalid S. (19) dacht eerst dat het een grap was toen iemand kwam zeggen dat zijn broertje was neergestoken. Maar een kleine jongen die hetzelfde zei, geloofde hij wel. „Die was jong, hij zou niet liegen.”

Khalid en zijn broer Abdullah S. (20) renden naar de plaats van de steekpartij. Khalid: „De ambulance was er al, plus nog zo’n vijftig mensen. De broeders stonden bij hem en keken naar hem. Ik kon hem maar heel even zien. Wij waren helemaal in paniek.”

Gijsbert Molenaar: „Ik zag twee knapen aan komen rennen. Ze kwamen steeds dichterbij. Al maaiend door die groep heen.”

Ron Sitek: „Wij waren bezig met controles, inbrengen van infuus. Je zit op je knieën naast je koffer, gefocust. Van het ene op het andere moment brak de pleuris uit. Ik hoorde iemand alleen maar roepen: wie heeft het gedaan, wie heeft het gedaan.”

Chauffeur Chris Kamsteeg van het traumateam: „De groep omstanders groeide snel. Ze schreeuwden: ‘We maken hem dood!’ Dat ging over de dader.”

De politie kwam aan. „Het was maar één koppeltje”, zegt Gijsbert Molenaar. „Meestal zijn het er minimaal twee.” Later bleek dat wegens drukte in de stad niet meer politie beschikbaar was.

Chris Kamsteeg: „De politie kreeg de zaak niet onder controle.” Cees Bergen: „Die twee jongens probeerden bij de broeders te komen. De dokter die met het jongetje bezig was, raakte een beetje in paniek. Ik heb ze weggehouden. Ik stond zo die ene weg te duwen met mijn ene arm, en die andere met mijn andere arm.”

Abdullah S.: „Ik heb mijn broertje de eerste minuten niet gezien. Moet je nagaan. Je hoort dat je broertje iets heeft en je mag er niet bij.”

Ron Sitek: „Ik zei: laat ons begaan. Het gaat slecht met hem, als we niets doen gaat hij dood.”

Gijsbert Molenaar: „Toen begon het. ‘Als hij doodgaat, dan máák ik jullie dood. Dan máák ik jullie dood.’ En nog steeds die maaibewegingen.”

Cees Bergen: „De broeder zei: als je niet weggaat, gaat hij dood. Toen zei hij: dan ga jij ook dood.”

Chris Kamsteeg: „Ik zei: jongen, laat ons ons werk doen. Toen liep hij helemaal om, naar mij toe, tot hij mij recht in de ogen keek: als hij doodgaat, ga jij er ook aan.”

Gijsbert Molenaar: „Ron zei: we gaan. Hup, op een brancard en wegwezen.”

Khalid S.: „Wij vroegen of we mee mochten. Wel drie keer. Nee, zeiden ze. Niemand mocht mee en ze wilden ook niet zeggen waar hij naartoe gebracht werd.”

Cees Bergen: „Een broertje of neefje klom op de ambulance. Die zei: ik ga mee. Ze zeiden: nee, je gaat niet mee.”

Gijsbert Molenaar: „Ron was bang dat ze met brommers achter ons aan zouden komen. Hij zei: we zeggen niet waar we heengaan.”

Ron Sitek: „Ik was zo boos dat ik nog de verkeerde straat ingereden ben ook.”

Gijsbert Molenaar: „Dit is niet de normale gang van zaken, zei ik in de auto tegen die gewonde jongen. De situatie was zo dreigend, we moesten heel snel weg. Hij zei: dat waren mijn broers. Ik zei: dat is toch geen normaal gedrag van jouw broers. Toen zei hij: dat had ik in die situatie misschien ook gedaan.”

Ron Sitek: „Dat zo’n jochie dát zegt. Ik heb al veel meegemaakt, maar dat nog niet. Hij bleef alle hulp krijgen, maar ik was helemaal klaar met hem.”

Gijsbert Molenaar: „Ik dacht: je bent eigenlijk ook zielig. Hij had, denk ik, niet door dat hij in levensgevaar was.”

Toen de ambulance wegging, circuleerde op straat de naam van de dader, een leeftijdgenoot van het slachtoffer. De groep begaf zich naar zijn huis. Daar sneuvelde een ruit. De politie arresteerde Khalid S.. Hij zat drie dagen vast. Zijn zaak werd in maart geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Maar alle aandacht richtte zich op zijn broer Abdullah, die het ambulancepersoneel had bedreigd.

Ron Sitek (later uitgeroepen tot Amsterdammer van het jaar) en Chris Kamsteeg (48) zijn stoere, laconieke Amsterdammers. Ze doen het werk al tientallen jaren en zeggen dat ze het met plezier blijven doen tot hun pensioen.

Ze kijken niet snel ergens van op, en zeker niet van heftige emoties. Maar, zeggen ze, dit was anders. „Het was geen emotie meer”, zegt Chris Kamsteeg. „Het was haat.” Ron Sitek: „Ik zag de blik in zijn ogen. Als hij een mes had gehad, had hij het gebruikt.”

Kamsteeg: „Een dronken iemand kan ook ‘ik maak je dood’ zeggen.”

Sitek: „Maar die heb je binnen vijf minuten huilend aan je handje in de ambulance.”

Kamsteeg: „Mensen zeiden dat het misschien te maken had met laag bloedsuiker, omdat het ramadan was. Maar dat herkennen wij. Dat was het niet.”

Verpleegkundige Gijsbert Molenaar werkt in Utrecht, hij was die avond uitgeleend aan Amsterdam. Ook hij noemt het incident uitzonderlijk. Een bedreiging met een kapotgeslagen bierglas, jaren geleden, was minder beangstigend. „Toen heb ik op mijn noodknop gedrukt en wist ik zeker dat de politie meteen zou komen. Nu had de politie het niet onder controle.” Molenaar kijkt uit naar zijn pensioen, over anderhalf jaar.

Van Abdullahs excuses op AT5 waren de broeders niet onder de indruk. Ingefluisterd door zijn advocaat, denken ze. Als hij het echt had gemeend, was hij wel langsgekomen.

Abdullahs advocaat zegt dat de excuses niet zijn idee waren. Abdullah deed het uit eigen beweging, nog voor hij werd gearresteerd. Hij had zelfs nog geen advocaat.

„Toen ik hem op AT5 zag, dacht ik wel: dit is voor jou niet normaal”, zegt Gijsbert Molenaar. „Nette kleren enzo. Misschien hebben ze toch de verkeerde gepakt. Misschien is hij iemand die één keer zoiets zegt, terwijl er anderen zijn die voortdurend de boel verzieken in zo’n buurt.”

‘Wat is er nou echt gebeurd?’

Die buurt is het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer, met 41.000 inwoners. Trambestuurder Cees Bergen woont er al 46 jaar. Hij zag ’s avonds op AT5 dat de broeders zich bedreigd gevoeld hadden en het werk hadden neergelegd. „Ik zei meteen tegen mijn vrouw: dan kan ik mijn werk ook wel neerleggen. Ik vond het niet echt bedreigend.”

Als hij hoort dat de ambulancebroeders Abdullahs gedrag niet als emotie, maar als haat bestempelen: „Zo heb ik het niet ervaren, hoor. Ik denk niet dat hij het meende, hij keek zo wezenloos voor zich uit. Als mijn kleindochter daar lag, zou ik ook zo kijken. Hij hoort het niet te zeggen. Maar op dat moment moet je zoiets kunnen begrijpen.”

Bergen is voorzitter van twee kinderboerderijen in Geuzenveld. Hij kent veel buurtkinderen, ook jongeren die op de kinderboerderij „een taakstrafje” komen doen. De broers S. kent hij alleen van gezicht.

Hij vindt dat de overlast in de buurt erg meevalt. „Er zijn groepjes Marokkaanse jongens die oude mensen pesten. Eieren tegen de ramen gooien. Nou ja, dat deden wij vroeger ook. Met steentjes. Enkel dat schelden, agressief overkomen, dat had je vroeger niet. De taal op straat is gewoon harder geworden.”

Grijnzend vertelt hij dat zijn vrouw voor het huis stond te kijken, de avond van de steekpartij. Kwam er een jochie langs van een jaar of 6, 7. „Hij zegt tegen mijn vrouw: ‘wat zit je te kijken, het is mijn neef die daar ligt. Ga je moeder neuken’. Dan zegt mijn vrouw: Ach joh, ga naar je moeder jij.”

Ook voor veiligheidscoördinator Johan Mandemaker van Geuzenveld-Slotermeer kreeg het incident meer aandacht dan het verdiende. „Wat is er nou echt gebeurd? De ramen zijn ingegooid bij de dader. Dat is niet leuk. Maar meer niet.”

Zijn stadsdeel telt naar schatting 7.000 jongeren. Er zijn klachten over hangjongeren, maar het aantal aangiften tegen minderjarigen neemt af. Mandemaker zegt dat er zo’n honderd „slechte jongens” zijn, met een strafblad. Abdullah S. hoort daar volgens hem niet bij. „De galbakken waren er wel om te kijken. Maar de jongen die het riep was geen galbak.”

Mandemaker brengt ons in contact met een jongerenwerker van Marokkaanse afkomst die in Geuzenveld is opgegroeid. Met hem komen we op een namiddag Khalid S. tegen. Hij zit naast een vriend op een elektriciteitskastje bij een snackbar-pizzeria, met nog wat jongens eromheen.

Khalid zegt niet te willen praten met de pers. Hij zegt dat hij aanbiedingen heeft afgeslagen om op tv te komen, ook voor geld. Hij noemt het unfair dat het verhaal van de broeders zoveel meer aandacht krijgt dan dat van hen, „alleen omdat wij niet op tv willen”. Hij denkt dat zij er ook geld voor krijgen. Ron Sitek, die de meeste media-optredens deed, zegt dat sommige programma’s een kilometervergoeding geven, maar meer niet.

De moeder van Abdullah en Khalid

Khalids broertje is weer thuis uit het ziekenhuis. De ruzie die voorafging aan de steekpartij ging volgens Khalid om 20 euro die zijn broertje nog tegoed had van de dader. In het Arabisch zegt hij tegen de jongerenwerker dat zijn moeder weg wil uit deze buurt.

Haar spreken we een paar weken later even, thuis in haar flatwoning. Ze ziet er gekweld uit, zegt dat ze niet kan slapen zonder slaappillen. Ze doet haar verhaal in het Arabisch omdat ze nauwelijks Nederlands spreekt.

Ze vertelt eerst dat haar zoon hevig heeft gebloed. Alles wat hij bij zich had, was doordrenkt van het bloed.

Toen ze thuiskwam uit het ziekenhuis was de politie daar om Abdullah aan te houden. Khalid zat al vast. „Ik riep: wat willen jullie. Dat ik doodga? Ik heb het al zo moeilijk, nu willen jullie nog een zoon weghalen?”

Ze hoorde hoe het gegaan was. „Ik zei tegen Abdullah: die dingen moet je niet zeggen, dat is niet goed. Hij zei dat hij niet wist wat hij allemaal zei, dat hij vol emoties was. Die politiemannen zeiden: sorry maar we moeten hem meenemen, het is een beslissing van hogerhand. Toen heb ik tegen mijn zoon gezegd dat hij beter vrijwillig kon meegaan.”

En dan zegt ze, verontwaardigd, dat de ambulancebroeders als eerste hadden gezegd dat haar zoon het waarschijnlijk niet ging redden. „Hoe kunnen ze verwachten dat wij kalm blijven als ze bij voorbaat zeggen dat hij doodgaat?”

De ambulancebroeders begonnen tegen burgemeester Cohen niet uit zichzelf over Marokkanen, zeggen ze. Chris Kamsteeg: „We moesten het benoemen omdat hij zo nadrukkelijk vroeg van wie we last hadden.”

In een reactie laat de gemeente Amsterdam weten dat het ambulancepersoneel wel zelf is begonnen over de Marokkaanse afkomst van lastpakken. Later in het gesprek zou Cohen hebben gevraagd wat men in algemene zin kon zeggen over de achtergrond van mensen die ambulancepersoneel belagen. „Daarop was het antwoord dat het in de meeste gevallen ging om jongens met een Marokkaanse achtergrond”, aldus een woordvoerder.

Ambulancedienst VZA (Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam) rukt 70.000 keer per jaar uit. Vorig jaar waren er tien meldingen van agressie, twee verbaal en acht fysiek. Twee keer is aangifte gedaan. „Dan zeg je: waar hebben we het over”, zegt woordvoerder Peter Duijf van de VZA. „Maar we zien wel een verharding. En als hier elke maand iemand slachtoffer is van agressie heeft dat invloed.”

Er is geen registratie op herkomst van de dader. Alle ambulancebroeders zeggen dat ze niet vaker problemen hebben met Marokkanen dan met andere bevolkingsgroepen. Toch springt de Marokkaanse groep eruit. „De term Marokkaans vliegt bij ons vaak over de koffietafel”, zegt Thijs Gras, een andere VZA-verpleegkundige.

Het is niet dat ze regelmatig fysiek belaagd worden door jongeren van Marokkaanse afkomst. Incidenteel is er geschopt, geslagen, gespuugd. Er zijn steentjes naar de ambulance gegooid, één keer fietsen. Maar ze hebben vooral last van verbaal geweld en hinderlijk gedrag. Allemaal noemen ze de jochies van een jaar of tien, in grote groepen. „Die staan dan zo.” Thijs Gras maakt zich breed, borst vooruit. „‘Wáarom stuur jij mij weg.’ ‘Wil je me slaan ofzo.’ Wij hebben geen tijd om uit te leggen dat een haag van kinderen niet prettig is als iemand doodziek uit een huis gedragen wordt.”

Ze noemen ook de jongens die via mobieltjes contact leggen met elkaar. Die Arabisch gaan praten, ook als ze goed Nederlands spreken. „Ze zijn heel snel verhit”, zegt Thijs Gras. „Ík zeg wat goed is voor mijn familie, jij niet. Met Italianen kan het ook weleens die kant opgaan. Maar daar zijn er niet zoveel van.”

Het heftigste incident tot nu toe was in 2003, ook in Amsterdam-West. Dat betrof een peuter van Turkse afkomst. Ze was gestikt in een pinda, de ambulancebroeders (anderen dan bij het incident in Geuzenveld) konden niets meer doen. „Ze hebben gerend voor hun leven”, zegt Thijs Gras. Een van hen zat maanden in de ziektewet.

Naast de eigen ervaringen zijn er nog de verhalen van anderen. „Als ze een sigarenboer op zijn kop slaan, horen wij van de sigarenboer dat het Marokkanen waren”, zegt Gras. „Of een oude vrouw breekt een heup, omdat ze aan haar tas is meegesleurd. Dat brengt bij ons ook een sfeer teweeg.”

In die sfeer komen ambulancebroeders (gemiddelde leeftijd: 45 à 50 jaar) en straatjongeren elkaar tegen. Verder ontmoeten ze elkaar nooit. Bij de ambulancediensten werkt vrijwel niemand van buitenlandse afkomst. „Als je weet dat je in een Marokkaanse wijk werkt, moet je er denk ik meer allochtone mensen neerzetten”, zegt een jongerenwerker. Maar wie?, zegt Peter Duijf van de VZA. „Er is weinig tot geen belangstelling uit allochtone hoek om bij ons te werken. Wij verbazen ons daar al jaren over.”

Deskundigen: hulpverlening maakte stress groter

Jan Dirk de Jong, die een proefschrift schreef over straatjongens van Amsterdams-Marokkaanse afkomst en jaren met hen optrok, kan zich voorstellen dat de haat die de broeders bij Abdullah dachten te zien, echt was. „Het is kutmarokkaan tegen witten. Er is een scherpe wij-zijverhouding.”

Het professionele gedrag van ambulancebroeders kan daarbij volgens De Jong olie op het vuur zijn. „Vooral hun mechanische werkzaamheden – het bloeden stelpen, de jongen intuberen, zo snel mogelijk, zonder oog voor de mensen in de omgeving. Dat is begrijpelijk, maar kan voeding geven aan vooroordelen van die jongens. ‘Ze hebben geen oog voor ons’.”

Jongerenwerker Najim Baladi (28) kent dat gevoel nog wel. „Er is geen interesse voor elkaar. Iedereen zit in zijn eigen groepje. Het gaat om kennen en gekend worden. Elkaar regelmatig zien, gesprekjes voeren.” Hij denkt dat de broeders zich niet bedreigd voelden door wat Abdullah zei, maar al bang waren. „Ze beoordelen die groep al als ze aan komen rijden. Met alle respect voor hen. Ik zou het ook eng vinden in een buurt met alleen skinheads. Maar ze stralen dat uit. Ze moeten uitstralen dat ze er gewoon voor ons zijn.” De broeders maakten de stress voor Abdullah en zijn broer alleen maar groter, vindt hij. „Ze stelden hen niet gerust, maar jaagden hen meer angst aan door te zeggen ‘als je niet weggaat gaat hij dood’.”

Baladi vindt het goed dat Abdullah zijn excuses heeft aangeboden. Het ergert hem dat de ambulancebroeders het niet konden waarderen. „Weet je hoeveel energie het kost om excuses aan te bieden? Dat is moeilijk hoor. Dat doe je niet zomaar.”

Jan Dirk de Jong noemt de excuses „zo onmarokkaans als het maar kan”. „Als één ding gezien wordt als typisch Marokkaans, is het de weigering om naar buiten toe te geven dat je iets fout hebt gedaan. Dat maakt dit de totale anti-Marokkaanse revolutie. Maar nee, iedereen was bezig dit neer te zetten als typisch Marokkaans.”

De strafzaak: twee jaar cel?

Abdullah S. wordt ook verdacht van mishandeling. Na het incident, dezelfde dag, zou hij iemand in het gezicht hebben geslagen. Het Openbaar Ministerie (OM) en zijn advocaat Geert-Iem Roos willen daar verder niets over zeggen.

Maar volgens Roos rechtvaardigt bedreiging noch mishandeling dat Abdullah negentien dagen in voorarrest zat. Ook zijn strafblad gaf volgens Roos geen aanleiding. „Hij is nooit eerder vervolgd voor bedreiging.” Over eventuele andere strafbare feiten laat hij zich niet uit.

„De bedoeling was dat Abdullah direct voor de rechter zou komen”, zegt een woordvoerder van het Amsterdamse OM. „De procedure is dan dat iemand vast blijft zitten tot de zitting is geweest.” De zitting ging niet door omdat Roos nog getuigen wilde horen.

Maar een woordvoerder van het parket-generaal zegt dat verdachten niet mogen worden vastgehouden met het oog op snelle berechting. Volgens de wet moeten er zwaarwegende redenen zijn, zoals vluchtgevaar, recidivegevaar of gevaar voor de maatschappelijke veiligheid.

Het is negen maanden later. In maart gooide een 17-jarige jongen in Slotervaart een voorwerp naar een traumahelikopter, zoals te zien op een You Tube-filmpje. Deze maand werd een agent in Amsterdam-Noord bij de keel gegrepen door een 19-jarige man, toen hij publiek op afstand wilde houden van de traumahelikopter.

Ambulancechauffeur Chris Kamsteeg vindt dat het niet de goede kant opgaat, al waren er kort na het incident positieve reacties. „Ik heb sinds vorig jaar veel met jeugdwerkers gesproken. Ik vraag me af of je deze jongeren bereikt. Ik heb er een hard hoofd in.”

In theorie kan Abdullah S. woensdag twee jaar cel krijgen, maar ambulanceverpleegkundige Gijsbert Molenaar ziet weinig in celstraf. „Het gaat erom dat ze dat soort dingen niet moeten doen. Je moet ze eigenlijk heropvoeden, iets leren. Anders heeft het geen zin.”

En Abdullah? Na lang aandringen spraken we hem een uur op het kantoor van zijn advocaat in Almere. Hij heeft kort haar en draagt een donkere spijkerbroek en een dun jack, met strepen in de kleuren van de Marokkaanse vlag. Hij is boos. Hij was al boos op de media, die hem „niet met rust laten”, en is nog bozer sinds hij een eerste versie van dit artikel toegestuurd kreeg. Volgens hem zijn „alle details” fout, maar hij wil dat niet toelichten. Hij heeft het niet uitgelezen. Hij wil gewoon geen onderwerp van media-aandacht zijn en verwijt het ons dat we dit artikel toch willen publiceren.

Met medewerking van Hanina Ajarai

    • Joke Mat