Wat het ijs aan de wereld vertelt

Filmer Werner Herzog gaat in al zijn documentaires op zoek naar herinneringen. Voor zijn nieuwste film Encounters at the End of the World trok hij op met de bewoners van de Zuidpool. Hun verhalen rolden er naar hem toe.

Scènes uit ‘Encounters at the End of the World’ van Werner Herzog. Foto’s BFD Herzog, Werner

Het uiterste is geen idee, het bestaat. Voor zijn nieuwste film, Encounters at the End of the World, zoekt Werner Herzog het uiterste op. Letterlijk. Zijn ‘ontmoetingen aan het einde van de wereld’ voltrekken zich aan het einde van de wereld. Op Antarctica. De Zuidpool. Zuidelijker bestaat niet, daar is het uiterste.

Hij filmde aan de Ross Sea, in en om een Amerikaans wetenschappelijk station aan deze enorme baai. Die Ross Sea is stevig bevroren, ook al is het er zomer. Net als hier, in Nederland, nu. Zij het in een andere maand, want wij zitten aan de andere kant van de evenaar. Zij het in totaal andere omstandigheden – ja, de zon schijnt er, wat heet, het is er vijf maanden onafgebroken licht, en er is niemand zonder zonnebril. Maar er loopt ook niemand zonder dikke muts. Of zonder donsjack, zo’n ding dat overal ter wereld te koop is, maar meestal veel te warm om aan te trekken.

Zo ziet de zomer er hier uit, lispelen Herzogs beelden. Met altijd overal sneeuw. Met een ijsvlakte waar ingevroren ijsbergen hun spitsen opsteken. Er glanst ijs, het water bevroor lang geleden, het is soms bruin, of glad, of ruw met brokken, of het glanst met strakke golfjes. En altijd is het onbetrouwbaar voor wie graag vaste grond onder de voeten heeft.

De voertaal aan de Zuidpool is Engels met een accent. Herzog zelf spreekt die taal al jaren, als een soort moedertaal voor zijn documentaires. Zijn jengelende Duitse tongval maakt van zijn Engels muziek uit een ontstemd draaiorgeltje, vriendelijk maar dwingend.

Geen van de mensen aan de Ross Sea zijn er geboren. Ze komen uit alle hoeken van de wereld, en klonterden, naar het schijnt lukraak, samen in het dorp met zijn bevroren moddersporen tussen containerhuizen. De meesten hier, en in kleine satellietstations elders in het gebied, doen wetenschappelijk onderzoek. Maar die bankier uit Colorado is de chauffeur van de bus en die Scandinavische filosoof bestuurt de vorkheftruck. Een filmer staat in de kantine. Een taalwetenschapper bestiert de groentenkas. Hun verhalen rollen naar Herzog toe.

Herzog zoekt voor elk van zijn

documentaire films herinneringen, op die verhalen laat hij ze drijven. Het zijn geen mooie herinneringen. Aan een krijgsgevangenschap in Laos (de man wil niet terug maar hij moet, vindt Herzog, dus ze gaan). Aan een neergestorte zeppelinvaarder – hij begeleidt een bevriende collega met zijn experimentele zeppelin naar het regenwoud waar het slachtoffer stierf (hij bestudeerde de boomtoppen van het regenwoud). Hij gaat de sporen na van een ecologische berenactivist die werd opgegeten door een grizzly (de man hield van die beren, dat wordt duidelijk, hij kende hun gevaar, maar hij kon het niet helpen, hij hield echter zo van ze dat hij ze te na kwam). En nog zo wat. Altijd zijn de Herzog-films ongrijpbaar, vol van het onverwachte en van hartverscheurende melancholie. Zijn film over en met slachtoffers van de Centraal-Afrikaanse dictator Bokassa eindigt in diens voormalige privédierentuin. Er is nog één bewoner: een mensaap die sigaretten rookt.

Herzog treft figuren met een verlangen naar de marges van de kaart, omdat ze willen kijken wat daarachter ligt. Zoals de eigenheimers met de mutsen aan de Zuidpool in Encounters at the End of the World. Snuiters zijn ze, afwezige snuiters. Of Herzog zich nou verstaat met een glacioloog, een kok, een vulkanoloog of een chauffeur, ze praten bedachtzaam. Ze zitten in hun eigen hoofd en daar zitten ze goed, ze willen niet anders. Maar ze sluiten zich niet af, nurks zijn ze niet. Ze beseffen de noodzaak van de medemens en dus praten ze, ze delen hun verhalen met de filmer.

Herzog begint zijn film met de mededeling dat hij níét met pinguïns aan zal komen. Maar hoppekee, daar zijn ze toch. De bioloog – weinig spraakzaam en altijd alleen – die ze bestudeert, vertelt in schaarse woorden over de pinguïntrek. Altijd is er wel één pinguïn die niet met de kudde meegaat, maar moederziel alleen de verkeerde kant kiest. Breng je hem terug, dan doet hij het weer. Herzog laat er een zien, een waggelende stip, druk op weg naar de dood. Gepijnigd vraagt de bioloog: But why? Het is dé vraag van deze film, van alle Herzog-films.

Maar waarom? En waarom nu?

Een antwoord krijg je niet, wel een beeld van hun drift. De drift van al die stippen.

De verhalen van de wetenschappers hangen samen met hun vak, dat is hun leven en hun obsessie. Wie geobsedeerd is, is ook een beetje gek. Een natuurkundige associeert over de geesten die hij in neutrino’s herkent. De man die de B15 bestudeert, het ijsmassief dat groter is dan de VS, praat over de schreeuw van het ijs, het mysterie van het ijs en wat het ijs de wereld zal vertellen als het naar het noorden drijft. Wat het trouwens al aan het doen is. Drie biologen liggen met hun oor op het ijs te genieten van de Pink-Floydgeluiden die de zeehonden eronder maken.

Werner Herzog maakte in de jaren

zeventig en tachtig naam met zijn speelfilms. Machtig mooi, steeds over een eenling die de wereld wil verpletteren. Woyzeck. Fitzcarraldo. De oervampier Nosferatu. Jeder für sich und Gott gegen alle, over de historische vondeling Kaspar Hauser. In 1991 kwam er nog een speelfilm, over twee op leven en dood rivaliserende alpinisten. De film heette Schrei aus Stein. Ja, die titel was goed, zoals alle Herzog-titels. Verder stelde hij teleur. Beeld en verhaal overschreeuwden zichzelf, alsof Herzog er niet op vertrouwde dat de film overbracht wat hij wilde vertellen over de menselijke conditie. Als altijd wilde hij de werkelijkheid raken, maar hij vreesde dat hij met een zacht ei gooide.

In 1990 had de werkelijkheid het al overgenomen wat Herzog betreft, met zijn film Echos aus einem düsteren Reich. Weer zo’n geslaagde titel, die deze keer de lading erger dekt dan je zou willen, zo verschrikkelijk is het wat deze film over het duistere rijk vertelt. De gidsen ter plaatse zijn mensen die eruitzien zoals wij allemaal maar met herinneringen aan terreur zoals weinigen van ons ze hebben.

Herzog had het gevonden. Hij maakt nog sporadisch een speelfilm, maar het leeuwendeel van zijn talent besteedt hij aan documentaires. Dat ligt niet voor de hand. In filmindustrietermen zijn documentaires films waar niemand op zit te wachten. Oftewel, er wordt niet aan verdiend. Publicitair kun je er weinig mee, want er zijn, anders dan bij een speelfilm, geen filmsterren bij betrokken. Een bioscooppubliek is er nauwelijks voor. De dvd’s vinden weinig aftrek. En op de televisie krijgen documentaires steeds minder ruimte. Waar begin je aan, maar Herzog hield er niet meer mee op.

Herzogs documentaires gaan over eenlingen, net als zijn speelfilms. Ze zijn scherper en van een helse schoonheid. Hij kiest voor grote onderwerpen, leven, dood, verdriet, weemoed, en trekt die naar zich toe. Hij maakt ze handzaam zonder hun soortelijk gewicht te veranderen. Warme tranen worden er niet gestort. Banaliseren is er nooit bij. Verdriet en pijn vertaalt hij in verbazing.

Daar blijft het niet bij. De mensen die hij portretteert, voorziet hij van een achtergrond en die vindt Herzog meestal in de natuur. Niemand die de natuur zo kan filmen als hij. Kijk naar hoe hij het brute geweld van een zuidpoolse zomerstorm in Encounters presenteert, zie zijn vertederde blikken op de verleiding van een ijsgrot met bevroren guirlandes.

Niet alleen is de natuur dienstbaar, als decor, of als gesprekspartner, of als symbool voor wat er in iemands kop omgaat. De natuur biedt ademruimte en rust. En helende schoonheid. Herzog leeft met de natuur. Dat voel je, als je ervaart hoe vanzelfsprekend hij haar weergeeft. Met allure, zonder kitsch, zelfs als het een zonsondergang betreft. Niet op zoek naar contact, zoals de natuurfilmer Richard Attenborough (wiens films vol natuurbewondering ik adembenemend vind, daar niet van). Maar om mee te puzzelen aan een ondoordringbaar raadsel.

De mensen in zijn films zijn reëel. Dat maakt Herzog niet hardvochtig noch zijn personages kil, voor ieder is gevoel zijn belangrijkste instrument. Dat is altijd zo geweest. Ook al in 1971, met Land des Schweigens und der Dunkelheit, een vroege documentaire waarin Herzog het isolement van een doofblinde vrouw voelbaar maakte.

Geen van zijn documentaires lijkt op een van de andere, maar ze hebben een ding gemeen: er wordt verboden terrein betreden. Dat terrein is de menselijke geest, waar geheimen opgeborgen liggen, of op zijn minst dingetjes die iemand graag voor zichzelf houdt.

Herzog maakt niet eens de indruk dat hij ernaar zoekt, eerder dat hij feilloos op zulk versluierd achterland stuit. Hij ruikt lont en dan gaat hij door. Bescheiden maar hij houdt aan. Hij ontfutselt niemand zijn geheimen, slinks doet hij niet. In Encounters mag de Oost-Duitse vluchteling het verhaal van zijn ontsnapping over de Berlijnse Muur voor zichzelf houden als hij er niet uit komt. (Hij toont wel de rugzak die nog altijd klaar staat voor de vlucht).

Het is meer alsof hij onuitgesproken gedachten onttrekt aan zijn gesprekspartners, dingen die ze kwijt moesten, zonder dat ze het zelf wisten. Als een biechtvader, zou je kunnen zeggen, maar dit alles gaat niet over zonden. Berouw noch boete is aan de orde.

Herzogs films brengen troost. Voor hemzelf en voor zijn publiek. Voor zijn personages is het te laat. Die staan alleen.

Maar nu die ‘Encounters’, die

Herzog zocht aan het einde van de wereld en waarmee hij weer eens werd genomineerd voor een Oscar. Een voorname ontmoeting is die met de natuur, dat spreekt vanzelf. In het poolgebied is de natuur alleenheerser. Zij laat niet met zich spotten. Wie niet voor haar buigt, sterft.

Die natuur is van een schoonheid die wij, suggereert de film, steels tot ons moeten nemen, want zij onttrekt zich aan de menselijke blik. Het best merk je dat in de shots die Herzog onder het ijs heeft laten maken – ze tonen een gesloten universum waar wendbare dieren leven, op zoek naar een prooi. Er zeilt een fakkel van koudvuur voorbij, er passeert een kwal als een middeleeuws Chinees hofdametje in gala. Mensen zijn hier lompe gevallen in duikpakken, opgesloten onder een ondoordringbare hemel. Want het universum blijkt een dak te hebben, een verzameling bevroren wolken.

Een van de biologen annex duikers getuigt van zijn ontzag voor het harde leven in de wereld onder het ijs. A horrible place to be, noemt hij het. De man houdt van sciencefiction. Voor hem is het geen vreemde gedachte dat de zoogdieren ontstaan zijn omdat hun voorouders het land op zijn gevlucht, om te ontsnappen aan die gruwel. En nóg zijn ze in shock, meent hij.

Hij zwijgt, hijst zich in zijn duikpak en zakt door een gat van twee bij twee meter het water in. In water van min twee graden, onder het ijs, waar mensen vreemde dieren zijn.