Volmaakt

Een gedicht of een verhaal kan zo goed aansluiten bij de omgeving waarin je het leest dat fictie en werkelijkheid in elkaar over gaan lopen. Wat je leest, vormt een ruimte om je heen tot het een onvermijdelijke wereld is geworden waarin je kunt bestaan.

De eerste keer dat mij zoiets overkwam, was ik zestien, en las ik ’s avonds in bed Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Buiten werd een zwarte hemel opgeschrikt door bliksemschichten die de tuin en het weiland met schapen erachter kortstondig zichtbaar maakten. De schapen bleven staan alsof er niets aan de hand was. Ze trokken zich niets aan van het onheil dat over de duinen onze kant op rolde.

Het donderde en bliksemde terwijl ik las over de ondergang van een familie en het dorp Maconda dat wordt geteisterd door een eindeloos durende regen. De regen ontneemt het dorp zijn energie en levenslust, en luidt het begin in van het onvermijdelijke verval.

Toen ik de laatste zin van de roman had bereikt, sloeg de klok beneden in de woonkamer twaalf uur en verlichtte een bliksemschicht mijn slaapkamer. Hier is niets aan verzonnen. De werkelijkheid uit het boek, met zijn topzware symboliek had een weg in mijn bestaan weten te vinden, dat ik – zeker toen ik zestien was – saai en voorspelbaar vond. Terwijl ik het meemaakte, realiseerde ik me dat mijn leven voorgoed aan dit boek verbonden was.

Tot op de dag van vandaag wil ik geen uitspraak doen over de vraag of de samenloop van omstandigheden waarin ik het boek las op toeval berustte of door geheimzinnige krachten tot stand was gebracht. Deze weigering maakt de wereld voor mij minder saai en voorspelbaar. Een bliksemschicht kan een boodschap zijn, en zelfs een keuken die blank staat, is niet alleen een ramp, maar een gebeurtenis die mij iets duidelijk moet maken.

Ik sta op blote voeten in een plas water rond de keukentafel. Het heeft vannacht zo hard geonweerd en zo lang geregend dat het water door het dakraam de keuken in is gesijpeld. Het water vormt een dunne laag op de betonnen vloer, die als pas gevernist ligt te glimmen. Mijn voeten breken het volmaakte oppervlak wanneer ik naar de tafel loop om te kijken wat er is gebeurd met de spullen die ik daar had laten liggen.

De kranten zijn doorweekt, en ook de dichtbundel Moeder is een rover van Hans Verhagen ligt van regen verzadigd en gerimpeld in een plasje water. Een rood vel – waar ik tevergeefs een hoed van probeerde te vouwen voor mijn zoon – laat een rode vlek achter op het tafelblad, wanneer ik het los pel. Tot mijn blijdschap zie ik dat de vlek een volmaakte veerpont vormt.

Ik wil mijn ogen geloven wanneer ik zie dat de bundel van Hans Verhagen open ligt op ‘Wakkerschrikking’. Het gedicht schetst een onmogelijk vroeg uur waarin de trams nog volop plaats hebben voor de mensen die een nacht hebben overgeslagen. ‘Het gieren van de lege wielen, fluitend bijna/ door stokoude bochten, verspreidt vrees.’ Dan volgen er tranen.

‘Het besef van zulke grote, glasheldere druppels/ rept zich van sterfbed naar sterfbed/ omdat het daar soms nog een willig oor treft/ We zullen in glasheldere druppels verdwijnen/ als we daarvan niet te veel vermorsten.’

Grote, glasheldere druppels maken zich los van het raam waar de regen nog steeds tegenaan klettert.

    • Maria Barnas