Troost aan de hele mensheid

Florence is een stad die zich niet snel prijsgeeft. Maar voor de echte aanhouder kan de stad nog steeds sublieme ervaringen geven. Nergens anders staan moderniteit en Renaissance zo dicht bij elkaar.

Kinderen spelen voetbal voor de Santa Croce basiliek in het historische centrum van Florence Foto AFP Italy, Tuscany, Florence, historic center classified as World Heritage by UNESCO, Santa Croce, young people playing football hemis.fr

De eerste keer kwam ik er gebroken aan: na een gestrande relatie, en met een stampvolle nachttrein uit Brussel. Ik was vierentwintig en had grote verwachtingen van backpackersromantiek en youth hostels.

Het tripje werd een fiasco. ’s Nachts waren er de pub crawls met Australische en Ierse kamergenoten, overdag de koppijnen terwijl ik door de toeristische zones slenterde (Duomo, Uffizi, Ponte Vecchio) en de hoge smalle straten waar de scooters me van m’n sokken reden. De fameuze levendigheid van de Italianen vond ik vooral lawaaierig, lomp en onbehouwen. De Toscaanse keuken? Boers volksvreten, in eeuwig dezelfde tomatensaus.

Als dit de stad was waar Stendhal een zenuwinzinking nabij kwam door de overvloed aan schoonheid, dan moest je concluderen dat daar bitter weinig van over was. Florence leek me eerder een spijkerharde leerschool in cynisme.

Drie jaar later een herkansing. Ik volgde een taalcursus, en had een eigen kamer, aan de zuidoever van de Arno, met uitzicht op de stad, die voorzichtig wat begon mee te geven, onder invloed van gegidste uitstapjes met medecursisten en een basale taalvaardigheid, als kleingeld voor toegang tot het leven dat zich onder de dikke schil van toeristenzwendel schuilhield.

Ditmaal, weer zes jaar en wat

korte Florencebezoeken later, kan het alleen maar beter zijn. Niet alleen heb ik een creditcard op zak en ben ik net aangekomen in een goed hotel, ook verwacht ik gezelschap dat me weer wat verder wegwijs gaat maken.

Ik heb afgesproken met Ad ten Bosch (58), voormalig eigenaar van uitgeverij Athenaeum– Polak & Van Gennep, die net zijn vijfde roman In Florence publiceerde, een boek waar ik erg van onder de indruk ben. Waarschijnlijk door wat in literaire kringen als hoogst onfatsoenlijk geldt: herkenning.

Ook hier leert de hoofdpersoon, Max Verwindt, Florence pas langzaam kennen, en beter dan ik. Na een scheiding belandt hij in een bediendenwoning van een Florentijns palazzo. De oude, adellijke familie maakt hem wegwijs in de stad, waarvan de architectuur en schilderijen een louterende uitwerking hebben. „Zijn hart werd kalm”, staat er in een scène over de San Lorenzo. „Niets in de kerk was van zijn wereld, en toch leek alles voor hem gemaakt.”

Vervang ‘kerk’ door ‘Florence’ en de zin klopt bij wat ik zelf weleens heb ervaren, op nazomeravonden, slenterend langs de vijftiende- en zestiende-eeuwse gevels in stille buurten. Mild scheerlicht, zachtroze, paarsig, strijkt langs zuilen, vensters en bogen: alles lijkt samen te spannen om jou, en jou alleen, te willen raken. Dat heeft iets griezeligs, maar ook iets verrukkelijks, haast iets, al kun je dat natuurlijk niet opschrijven, sacraals. Laat ik het erop houden dat Florence op zulke moment, eindelijk, en eventjes maar, opengaat.

Wat me ook aan In Florence intrigeert is dat het boek sterk autobiografische trekken schijnt te hebben. Zo is Ten Bosch met die adellijke familie nog altijd bevriend. We gaan vanavond dineren met een markies.

Maar eerst een middag kunstgeschiedenis. Ten Bosch, die minstens drie maanden per jaar in Florence woont, sleept me van de ene schatkamer naar de volgende. In de kerk tegenover mijn hotel is het meteen al raak: Masaccio’s Drie-eenheid (1427), waarop een schilder voor het eerst het door Brunelleschi ontdekte centrale perspectief toepast, is volgens hem „het begin van de Renaissance, waar het individu centraal is komen te staan”.

Dat is, denkt hij, waarom Florence ons, mensen van het derde millennium, nog altijd zo aanspreekt. Van memento mori veranderde het levensmotto ineens in carpe diem. „Ik móest iets met deze stad”, zegt Ten Bosch. „Door er een boek over te schrijven heb ik het idee dat ik iets terugdoe voor wat Florence voor mij heeft gedaan.”

Hij kwam er voor het eerst toen hij net zijn uitgeverij had verkocht. Daarvoor leidde hij een leven als vrachtwagenchauffeur in Mexico en Alaska, mijnwerker in Vancouver, tenniscoach in de VS, boekhandelaar, drukker. Na zijn uitgeversjaren belandde hij halverwege de jaren negentig in een crisis: een pijnlijke echtscheiding. „Ik wilde weg, even onzichtbaar zijn, in een stad waar niemand me kende en waar ik geen herinneringen had.”

Kan de schoonheid van Florence ook een vlucht zijn geweest? „Mogelijk, maar dan niet bewust. Zonder dat ik het opzocht, werd ik geraakt, alleen al door de onvoorstelbare oudheid van al deze gebouwen. Ik bedoel, het staat hier allemaal al een tijdje.”

Toch kan het niet alleen nostalgie zijn die maakt dat je het bestaan hier als aangenamer, plezieriger en misschien zelfs waardiger ervaart. Anders dan Venetië, dat zijn derde dimensie heeft verloren en op veel plaatsen alleen nog museaal decor is, is Florence een levende stad. Bouwkundig staat Florence nog vrijwel volledig in de Renaissance, maar de menselijke activiteit is er onmiskenbaar eenentwintigste-eeuws. Naast de Piazza Signoria zie ik zelfs elektrische scooters, die je hier gratis kunt opladen.

Nu pas realiseer ik me dat hier nauwelijks barok, rococo of classicisme in het straatbeeld is te vinden. De oorzaak, leer ik dezer dagen, is een jaartal. 1492. Niet alleen het jaar waarin Lorenzo Il Magnifico stierf, en het Medici-geslacht in verval raakte, maar ook dat van de ontdekking van Amerika. Florence, dat geen haven had en dus geen toegang tot de oceaan, bleef achter. De bankiersfamilies gingen zich richten op wijnbouw in plaats van te investeren in het verfraaien van kostbare panden.

Dus bleef de tijd, architectonisch gezien, stilstaan. Gespaard gebleven voor de overdreven versierdrift en het pompeuze van de barok, kwam de stad pas laat in de negentiende eeuw weer een beetje mee. Dat verklaart het dubbele gezicht van Florence: een bijna puur geconserveerde Renaissance met daarin de twintigste en eenentwintigste eeuw, de mode van Gucci en Armani, of de nieuwste Fiat 500. Twee tijdperken, die misschien wel tegenovergestelde denkbeelden hebben, leven ineens in een symbiose – een bizarre mix.

Aan het eind van de middag ben ik terug

in mijn hotelkamer. Van het plein bij de Santa Maria Novella stijgen geluiden op; ik heb het raam opengezet. Alles is, want dat is het woord, zacht, gefilterd, diffuus.

Het gevoel van irrealiteit, zoals dat zich opdringt op zo’n aankomstdag, de grote teleportatie via vliegvelden en treinstations, is nog niet helemaal weggeëbd. De late zon zalft de witte kerkgevel. Ik neem een bad en scheer me uitgebreid. Als je een Italiaanse markies ontmoet, is dat wel het minste dat je kunt doen.

De markies draagt een zonnebril. Giancarlo Lepri, zo heet hij, heeft zich net in Engeland in een privékliniek laten opereren aan zijn ogen (‘achttienduizend euro per oog’ ). Hij is rond de zeventig, homoseksueel, en heeft een antiek- annex huisinrichtingsbedrijf met klanten als koningin Beatrix.

Net als deze Giancarlo Lepri komt ook het restaurant waar we aan de stamtafel zitten voor in In Florence: I 13 Gobbi, aan de Via Porcellana. Een stampvolle trattoria, waar, zoals Ten Bosch het uitdrukt, „de grote opera van het sociale leven plaatsvindt”.

Volgens Lepri, die zelf in een toren met zeven verdiepingen woont, is de Florentijnse architectuur nog steeds een inspiratiebron voor de wereld. „Meer dan twintig Amerikaanse universiteiten hebben hier vestigingen. Je ziet die kunstgeschiedenis- en architectuurstudenten hier elke dag tekeningen maken. Dat zegt toch wel iets. Vroeger moest elke Europeaan van enige komaf een grand tour door Italië maken. In wezen is daar niets in veranderd.”

’s Nachts rook ik, uit het raam geleund, een sigaret. Een dronken joch zwalkt beneden op het plein voorbij. Een schim van mijn vroegere ik, terug van (of op weg naar) Space Electronic, of hoe die klotedisco ook heette.

De dag erop zie ik in acht uur meer Verkondigingen, Venussen en Maria’s, meer Botticcelli’s, Donatello’s en Michelangelo’s dan in mijn hele leven. We bezoeken zowel het Uffizi áls het Palazzo Pitti áls het Bargello.

Als het Stendhal-syndroom je niet

uit zichzelf komt vellen, moet je het uitlokken. Wat rest is een mengsel van verbluftheid en spijt. Verbluft door de perfectie en de schoonheid. Spijt omdat al die sublieme werken je confronteren met je eigen tekortkomingen en die van je tijdgenoten. En dan heb ik het nog niet eens over busladingen Japanners en Amerikanen in sportshorts en op teenslippers.

Ik bedoel: dat samengaan van Renaissance en moderniteit mag dan een intrigerend mengsel opleveren, het zorgt ook voor een contrast waarin de gemakzucht en oppervlakkigheid van onze tijd pijnlijk afsteken.

Al kun je blijven streven naar het tegendeel. „Florence staat voor mij voor de drang om in alles wat je doet voortreffelijkheid aan de dag te leggen”, zegt Ten Bosch. Op de Borgo San Lorenzo, een winkelstraat waar het ruikt naar de lederwarenmarkt, wijst hij op een plaquette, die vertelt dat Michel de Montaigne er logeerde, in 1580 en 1581. „Dat was de tijd dat zijn Essais verschenen.” Zelf initieerde hij als uitgever de vertaling door Hans van Pinxteren, die in 1993 uitkwam. „Iedereen verklaarde me voor gek. Er was drie jaar eerder al elders een vertaling verschenen. Maar ik zette er een heel team op van specialisten uit Frankrijk en Nederland. Het ging mij om het streven naar voortreffelijkheid.”

Laat in de middag beklimmen we

de traptreden van de Via Dolorosa, de kruisweg omhoog naar de San Miniato al Monte, vanaf waar je de stad in het dal ziet liggen. De humanistisch geïnspireerde Florentijnen geloofden in een ‘ideale stad’ die, dankzij een historisch toeval, nog grotendeels intact is gebleven en actief bewoond wordt, zodat het allemaal pas gisteren lijkt. In Florence kun je tastbaar contact hebben met de Renaissance, als herinnering en voorbeeld van hoe het kan zijn.

Bij het kerkhof moet ik denken aan een oude legende, die ook in In Florence voorkomt, over een man die zijn zoon verloor in een oorlog. Een engel gaf hem de mogelijkheid zijn zoon terug te krijgen, maar in ruil daarvoor zou Florence vernietigd worden. De man weigerde. „De terugkeer van mijn zoon biedt alleen troost aan mij, en dat slechts voor de duur van mijn leven, maar Florence biedt troost aan de hele mensheid, en voor eeuwig.”

Dat is waar. Want wat Florence me deze dagen duidelijk maakt is vooral dit: we hebben de Renaissance nodig.

Ad ten Bosch: In Florence. Uitgeverij De Arbeiderspers. 205 blz. € 18,95

    • Christiaan Weijts