Toekomst van de auto

Niet alleen in de financiële sector galmen faillissementen door in de internationale politiek. Het dreigende bankroet van het automobielconcern General Motors (GM) trekt een spoor van animositeit in de verhouding tussen Verenigde Staten en Duitsland, en binnen Europa zelf.

Het Amerikaanse plan om GM snel door een faillissement te loodsen, dat al begin volgende week zou kunnen worden aangevraagd, is razend ingewikkeld. Het concern staat niet alleen symbool voor Amerika als industriële natie. GM is ook door duizenden draden verbonden met de samenleving. Klanten, dealers, toeleveranciers, financieringsmaatschappijen, aandeel- en obligatiehouders, banken en honderdduizenden directe of indirecte arbeidsplaatsen zijn bij het concern betrokken. Washington moet daarbij tevens rekening houden met de Europese partners.

Ook Opel, de Duitse dochter van General Motors, maakt water. De bondsregering heeft 3 miljard euro aan garanties gegeven en 1,5 miljard euro aan overbruggingskredieten toegezegd voor de periode waarin Opel wordt losgeweekt en apart verkocht. De onderhandelingen, die intussen al lang niet meer gaan tussen GM en Opel, maar tussen de Amerikaanse en Duitse regering, liepen woensdag stuk op een Amerikaanse eis dat de Duitsers nog eens 300 miljoen euro moeten ophoesten. Daar komt bij dat de regering-Merkel rekening moet houden met Britse gevoeligheden rond Opel-dochter Vauxhall, en met Belgische politieke druk om de productievestiging aldaar open te houden. Het Canadese Magna en het Italiaanse Fiat zijn intussen in de race om Opel over te nemen.

Het woord ‘complex’ is een eufemisme voor de multidimensionale onderhandelingen die ervoor moeten zorgen dat zowel de Amerikaanse als de Europese tak van General Motors blijft staan als de stofwolken straks zijn opgetrokken wanneer het grootste faillissement ooit zal zijn afgewikkeld.

Washington betrekt, na tientallen miljarden dollars aan steun, het standpunt dat het er niet is om de Europese werkgelegenheid te financieren. Berlijn kan, met de Bondsdagverkiezingen komend najaar, geen fouten maken.

Wat in al de ophef dreigt te worden vergeten, is waar het nu werkelijk om gaat. Een automobielconcern is zeer zichtbaar. Als het omvalt gaan er tienduizenden of zelfs honderdduizenden arbeidsplaatsen verloren. Maar wie alle financiële toezeggingen omslaat per werknemer, kan zich afvragen of het intussen niet rendabeler is om overheidsgeld elders te besteden: aan werkgelegenheid die misschien niet zo spectaculair oogt, maar minstens zo belangrijk en veelbelovender is. Ook de staalindustrie heeft, na lang politiek touwtrekken en zeer veel overheidsgeld, uiteindelijk moeten saneren. Wat overbleef is geen ravage, maar een bedrijfstak die juist hoogwaardiger is geworden.

De auto-industrie verdwijnt niet uit Amerika en Europa. Ze moet alleen wel de kans krijgen om zichzelf, in deze tijd van kredietcrisis en recessie, opnieuw uit te vinden.