Terwijl het liedje door zijn dode hersens loopt

Charles Ducal: Toegedekt met een liedje. Atlas, 82 blz. € 16,50

Charles Ducal: Toegedekt met een liedje. Atlas, 82 blz. € 16,50

Toegedekt met een liedje is Charles Ducals zesde bundel. Met zijn debuutbundel Het huwelijk trok hij in 1987 volop aandacht. Zijn ontluisterende levensvisie en zijn quasi-blasfemische benadering van religie werden in Vlaanderen als schokkend ervaren. De literaire kritiek zag klinkklare allusies op het gedicht ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot.

In diens spoor beschreef Ducal hoe lust en liefde in het dagelijks bestaan hun ontspannende werking verliezen. Overspel en een papieren geliefde waren dichterlijke wapens in dit proces. Tegenover het steriele huwelijksleven zette Ducal de poëtische verbeelding.

Vaak cynisch en ontmaskerend, steeds op het scherp van taal en argumentatie, bleef hij in zijn volgende bundels trouw aan de weigering concessies te doen – aan het leven, en aan zichzelf. De kloof tussen droom en werkelijkheid en de gespletenheid tussen eigenliefde en de liefde van en voor de ander bepaalden van bundel tot bundel zijn thematiek. Niet als een pas op de plaats, maar als een uitdijend territorium waarin zijn poëzie zich ontwikkelde.

In Ducals vierde bundel, Naar de aarde (1998), bleek het onbehagen over het ondermaanse onleefbaar. De titel zegt het al: de dichter daalde af naar de niet meer te negeren werkelijkheid. In In inkt gewassen (2006) werden in het spoor daarvan herhaaldelijk vragen gesteld over het vermogen en onvermogen van het dichterschap. En dat spoor wordt vervolgd in de nu verschenen bundel Toegedekt met een liedje.

In het zicht van de dood leidt dat niet tot vrolijke poëzie. Een liedje is geen deken, dus blijven dichter en lezer zien wat had moeten worden toegedekt. ‘Onder dit spreken’, stelt Ducal,

hangt mijn lichaam in het klein.

Ik heb mijn stem niet losgekregen.

Mijn handen kunnen wel bewegen,

maar op de wijze van een proefkonijn.

Het spreken houdt ze aan de lijn.

Ik voel het trekken aan mijn schouders:

geen wil of leidraad, maar iets ouders,

een in het donker vastgebonden sein.

Vandaar dit bange, dwang geworden rijm,

een tang om mijn verrekte schedel,

die almaar voller wordt en almaar breder,

hoewel ikzelf nog steeds verklein.

Toch is er ook nog hoop op zegeningen van het dichterschap. ‘Er moet een huis zijn op het einde van de weg’, gelooft de dichter. Volgens de wetenschap echter ‘is er alleen een vlek, / een blinde vlek, de grootte van een tafellaken.’ Maar, stelt Ducal dan: ‘wetenschap bekijkt de dingen nooit zo fijn / als poëzie, die steunt op ruimere archieven.’

Ducal zelf noemde zijn roman De meesterknecht (1992) een prettig zijpaadje van ‘mijn sombere weg naar de eeuwigheid’. Beter is zijn verswerk waarschijnlijk niet te typeren. Maar zijn pessimistische grondhouding ten spijt, is Ducal een meesterlijk verzenmaker. Dat geldt, vind ik, bij uitzondering niet voor de negen verzen van ‘De school der pornografie’; daarin zijn de moeren en bouten te weinig aangedraaid.

Maar elders in de bundel stollen liefde, afstand en zelfontreddering onder Ducals pen in de taal. Herhaaldelijk koos en kiest hij daarvoor het vast verband van drie kwatrijnen, soms met een enkele regel als toevoeging. Dat leidt tot klassieke taalbouwsels, zoals ‘Dichtertje’ (met een naar ‘Stadgenoot’ van Jan G. Elburg verwijzende slotregel), ‘Denn alles Fleisch’ en ‘Zoveel as’.

Ook waar hij breder uitwaaiert ontstaan soms prachtverzen, zoals het vijf kwatrijnen tellende ‘Chanson de geste’. En tot slot is er dan het gedicht dat het vliegwiel lijkt van Toegedekt met een liedje: een ‘envoi’ voor de overleden vriend aan wie de bundel is opgedragen. Alsof de bundel in zijn geheel een rederijkersballade was, waarvan dit ‘Liedje voor Johan’ de slotstrofe is:

Terwijl het liedje door zijn dode hersens loopt,

altijd opnieuw het liedje

op een dode plek begint en door de windingen

naar nergens stroomt,

en onderweg niets achterlaat, alleen maar

zingt,

een liedje zonder tegenspraak,

altijd opnieuw, door zijn verlaten hoofd,

het eindelijk lege taalgebied,

en niets omspoelt om in te kleuren,

niemand vindt die het beroert,

een liedje zonder uitdrukking,

zit hij als levend in mijn stoel.

Zo eindigt de bundel met een levenwekkende opmaat. Dit soort slotregels staat ook elders in Toegedekt met een liedje. Tweeëndertig van de vijfenvijftig gedichten hebben een geïsoleerde eindregel. Doorgaans zet die regel het beeld op scherp, maar een enkele keer ook is het een bewering die het gedicht nu eens bevestigt, dan weer in een ander, soms verruimend daglicht stelt. In zulke details bewijst Ducal zich als Maker.

    • Arie van den Berg