Regen in de wasstraat

Dankzij de crisis lijkt Amerika steeds meer op een song van Bruce Springsteen. Morgen speelt hij op Pinkpop.

Iedere dag sluiten fabrieken in Amerika hun deuren. Of ze schrappen banen. Dertigduizend mensen bij elektronicawinkel Circuit City; twintigduizend bij autofabrikant General Motors; ruim dertienduizend bij aluminiumproducent Alcoa. Gezinnen wonen in campers omdat ze de hypotheek niet langer kunnen opbrengen. Waren de tijden ooit geschikter voor Bruce Springsteen?

Sinds de jaren zeventig bezingt de Amerikaanse zanger, die morgen op Pinkpop staat, recessie op recessie. In zijn liedjes sluiten fabrieken voortdurend hun poorten waarna banken hun schulden vorderen, mannen op straat belanden en hun vrouwen de benen nemen. Het werkethos van de arbeider is de constante factor in zijn muziek; het fysieke werk op de velden in Badlands, waar de zon zijn rug verbrandt; de dagelijkse gang naar de fabriek in Factory, waar het helse kabaal zijn oren teistert; de sleur achter de kassa, in Queen of the Supermarket.

Toch is Springsteen op zijn laatste album Working on a dream (2009) opmerkelijk mild. Aanklachten tegen de autoriteiten, het kapitalisme, het systeem ontbreken. Eerder zijn de twaalf nummers op het album een ode aan lange vriendschappen, met toetsenist en E Street Bandlid Danny Federici die vorig jaar aan huidkanker overleed, in The Last Carnival; met achtergrondzangeres Patti Scialfa, met wie hij al twintig jaar samen is en drie kinderen heeft, in Kingdom of our Days.

Het kapitaal, bijna altijd de dader bij Springsteen, komt er deze keer verrassend makkelijk vanaf. Bankdirecteuren en aandeelhouders, ja zelfs de lager ingeschaalde handelaren van Wall Street en de bankemployees van Lehman Brothers, naar huis gestuurd met niets meer dan een kartonnen doos onder hun arm, spelen nauwelijks een rol op Working on a dream.

Dan is hij meer expliciet op zijn vorige twee platen, The Rising (2002) en Magic (2007). De eerste, die handelt over de aanslagen van ‘9/11’ met veelzeggende titels als Empty Sky, Into the Fire en My City’s in ruins, maakte hij op verzoek van zijn fans. Naar verluidt stond hij voor een stoplicht te wachten, toen een man hem door het geopende raampje zei dat hij muziek moest maken – de mensen hadden hem nodig.

De tweede schreef hij na zijn deelname aan de mislukte Vote for Change tour in 2004 – George W. Bush werd alsnog president. Op Magic schetst Springsteen de erfenis van Bush’ heerschappij: een uitgemergeld land, waarin niemand elkaar meer vertrouwt, waarin niemand elkaar nog iets gunt.

Vergeleken met die donkere gedachten jubelt Working on a dream bijna de speakers uit. De plaat kan worden opgevat als een hommage aan president Barack Obama, met wie Springsteen het thema ‘hoop’ gemeen heeft. Op een verkiezingsbijeenkomst in Philadelphia, te zien op YouTube, legt Springsteen uit waarom hij zich aan Obama heeft gecommitteerd. Met opgerolde mouwen in houthakkershemd zegt hij: „Een groot deel van mijn creatieve leven heb ik me beziggehouden met het meten van de afstand tussen de Amerikaanse belofte en de Amerikaanse realiteit [...] Voor veel Amerikanen is die afstand nooit groter of pijnlijker geweest [...] Obama begrijpt de oorzaak van die afstand, van het lijden in de levens van de alledaagse Amerikanen.”

Vervolgens zet hij The Rising in, een nummer dat Obama regelmatig na afloop van zijn verkiezingsbijeenkomsten draaide.

Obama is niet de eerste president die zich zijn werk toe eigent. De Republikein Ronald Reagan ging halverwege de jaren tachtig aan de haal met het bombastische Born in the USA; hij doopte het om tot een patriottistisch lied, terwijl het in feite een aanklacht is tegen een overheid die zijn mensen, in dit geval Vietnamveteranen, in de kou laat staan.

Voor Amerikaanse presidenten is de muzikant een belangrijke schakel tussen de politieke elite en de laagopgeleide kiezer. Die herkent zich in Springsteens songs. Zijn personages hebben steevast niet gestudeerd. Ze wonen op het platteland of in kleine voorsteden en luisteren naar namen als Joe, Eddie en Sonny. Hun vriendinnen duiden ze simpelweg aan met baby, honey of girl. En wordt zo’n meisje eens bij haar echte naam genoemd, dan heet ze Cherry, Mary of Wendy.

Deze mannen werken voor hun geld, niet voor de uitdaging; hun banen zijn zelden inspirerend. Toch zijn ze de motor van de economie; zonder hen zou de mais op het veld verdorren en zouden de flessen cola kletterend van de lopende band vallen. Eer echter, krijgen ze zelden; in Springsteens songs worden werknemers aan de lopende band ontslagen waarna ze met lege handen naar huis gaan, zoals de werknemers van General Motors te wachten staat. Voor hen geen bonus.

Meedogenloos beschrijft de zanger vervolgens hoe de recessie in het leven van de getroffenen ingrijpt. Al snel kunnen de ontslagen arbeiders de hypotheek niet meer opbrengen, zoals in Detroit waar hele wijken in verval raken door de vele huisuitzettingen. En zoals in Freehold Borough, het voorstadje van New Jersey waar Springsteen opgroeide en waar het leven is verdwenen sinds de staalfabriek honderden arbeiders op straat zette.

Dat trekt een zware wissel op hun relatie; niet zelden verlaat de vrouw haar getroffen man, zoals in het aangrijpende, droevige Downbound Train. Daarin vindt een man, die even tevoren zijn werk is kwijt geraakt en op het punt staat zijn geliefde te verliezen, een baantje in een autowasserij. Dit alles wordt krachtig verwoord in slechts twee zinnen: „Now I work down at the carwash / where all it ever does is rain.”

Maar opklaren doet het niet, want voor hij het weet zit zij op de bus, op de Central Line, als een rat die het zinkende schip verlaat. Al spreekt Springsteen nooit in zulke denigrerende termen over hen; in zijn songs lijden de vrouwen even hard als de mannen.

In dergelijke erbarmelijke omstandigheden heeft een man een uitlaatklep nodig. En die geeft Springsteen hem, in het weekeinde. Dan rijden zijn personages door verlaten straten, op zoek naar een bar die nog open is, in de hoop een meisje te verleiden tot een ritje naar het strand van Stockton’s Wing.

Springsteens songs roepen steevast cinematografische beelden op van uitgestrekte wegen, helverlichte koffiehuizen en kauwgom kauwende serveersters. Wie dat afdoet als een goedkoop cliché, is nog nooit, zoals ik, op een doordeweekse avond in Barstow gestrand, een tochtig plaatsje in de Mojavewoestijn, niet ver van Las Vegas, waar de serveerster om elf uur ’s avonds het cafetaria sloot en naar haar moeder ging die op haar twee kinderen paste, om de volgende ochtend om zeven uur aan haar andere, tweede baan te beginnen.

Het is onder zulke Amerikanen dat Springsteens woorden een magische betekenis hebben. Pulitzer Price winnaar Robert Coles beschrijft in zijn boek Bruce Springsteen’s America hoe de werkende klasse hoop put uit zijn teksten; de vrachtwagenchauffeur die, terwijl hij tijdens zijn nachtelijke ritten luistert naar Blinded by the Light, herinneringen ophaalt aan zijn moeder; de politieman die bij American Skin (41 shots) nadenkt over zijn eigen rol. Dat is inderdaad pathetisch, overdreven romantisch, op het kitscherige af. Maar doet dat ertoe? Wie verder kijkt dan promnights, Chevy’s en de Interstate ziet een authentiek portret van het leven van de werkende klasse.

Springsteen heeft ook critici. Die schilderen hem af als een man die domme rijmelarij schrijft (‘oe oe I got a crush on you’) en door testosteron aangedreven, schreeuwerige rock-’n-roll maakt. Maar zij miskennen de kracht van de eenvoud. Of zijn nog nooit in Barstow geweest.

Bruce Springsteen en de E Street Band treden morgen op Pinkpop op. Er zijn geen kaarten meer.