Maak het maar bebabbelbaar!

Voordrachtskunstenaar en dichter Louis Lehmann Foto privécollectie Lehmann Lehmann, Louis

De dichter met zijn deftige dictie maakt zijn rap zo dreigend mogelijk: „Maak het maar, maak het maar, maak het maar bebabbelbaar!” Hij herhaalt de zinnetjes vertraagd en laat zijn stem van diep komen: „Maak het maar bebabbelbaar!”

Louis Lehmann rapt in zijn huis, voor een kale muur, zo is te zien op een dvd die is toegevoegd aan de dubbel-cd De rijpe sterren. Op de twee cd’s staan door het duo Smalts op muziek gezette gedichten van Lehmann en composities van zijn hand, uitgevoerd door pianist Guus Janssen en een sopraan, alt en tenor. Ook Lehmann komt nog een keer voorbij, met een tammere versie van zijn ‘Huisraadrap’, met de meezingregel over „bebabbelbaar”. De rest van dit rapgedicht luidt:

Tafeltje tik-tak, klokje-bom

Dingen in de keuken vallen om

Koekepan ping-pong, kopje krak

Uit door de voordeur, binnen door het dak.

Tam was allerminst de keer dat hij zijn rap zong op De Nacht van de Poëzie in 1997. De dichter was 77 jaar op dat moment en bracht de zaal in verrukking met zijn onverwachte omhelzing van rap, en de trend onder jonge dichters om hun poëzieperformance te combineren met muziek. Thuis had hij sissend, blazend en spuwend een human beatbox-ritme in elkaar geknutseld, dat diende als ondergrond. De betere huisvlijt, maar gezien zijn leeftijd en opgewekte voordracht onweerstaanbaar.

Lehmann is professioneel dilettant en hij is mijn vrolijkste dichter: nieuwsgierig naar alles, onnavolgbaar eigenwijs en dodelijk charmant. Hij probeert van alles, zonder voorbehoud. Behalve aan dichten en componeren waagt hij zich ook aan tekenen, tangodansen en radio presenteren. Die veelzijdigheid werd pas goed zichtbaar na 1996, toen hij na dertig jaar een zichzelf opgelegd publicatieverbod ophief.

Dat is de merkwaardigste periode van zwijgen in de Nederlandse literatuur. Lehmann zweeg uit bitterheid over het feit dat hij als ‘literator’ werd gezien, maar buiten de letterkunde werkloos bleef.

Het begon ermee dat de oorlog zijn scholing verstoorde. Na de oorlog studeerde hij rechten, zonder overtuiging. Na een baantje als copywriter ging hij alsnog archeologie studeren, op zijn 35ste. Toen had hij al naam als dichter gemaakt, en tijdens zijn tweede studie schreef hij literaire kritieken. Maar werk als scheepsarcheoloog kreeg hij niet. „U bent toch schrijver?”, vroeg iemand hem bij een sollicitatie. De literatuur ‘hielp’ hem niet en dus nam Lehmann een drastisch besluit: eerst naam maken als wetenschapper en dan pas weer publiceren.

In 1996, op zijn 75ste, promoveerde hij op een studie naar de manieren waarop antieke oorlogsschepen werden geroeid. Daarmee bewees hij zijn wetenschappelijke status. Twee weken later had Lehmann een manuscript voor een dichtbundel klaar.

Sindsdien valt de ‘teruggekeerde’ dichter veel verdiende aandacht ten deel. Op een avond over Lehmann in december vorig jaar in Perdu, Amsterdam, zei schrijver Hans Plomp dat hij een leraar is voor alle excentriekelingen. En pianist Guus Janssen stelde dat een vrije geest als Lehmann les moet geven op het conservatorium, want hij had daar niets geleerd over de „waanzinnige muzikale vormen” die Lehmann componeert en mengt: ragtime, habanera, klezmer en saudade.

Lehmann las die avond ook gedichten voor, zichzelf begeleidend door te tikken op de lessenaar. Was die voordrachtscultuur maar eerder gewoon geworden, verzuchtte hij eens, dan was het vroeger veel leuker geweest in de literatuur.

    • Ron Rijghard