Lanterfanten in de ommelanden

‘Vijfhuizen, militair kamp, 23.08.1901’, foto van Jacob Olie Uit besproken boek Jacob Olie: De stad uit – foto’s 1890-1904. Inleiding Anneke van Veen. De Verbeelding, 176 blz. € 29,50.

Jacob Olie: De stad uit – foto’s 1890-1904. Inleiding Anneke van Veen. De Verbeelding, 176 blz. € 29,50.

Over Amsterdams stadsfotograaf Jacob Olie (1834-1905) is zoveel geschreven en er is zoveel van zijn werk in boeken en bladen afgedrukt, dat u zou kunnen denken ‘ik weet het nu wel’. Niet doen, want uit Olie’s nalatenschap is opnieuw een boekje gedistilleerd waaraan je je kunt vergapen.

Dit keer gaat het over Olie en de ommelanden; het heet De stad uit/ foto’s 1890-1904. Timmerman, bouwkundige en fotograaf Olie was kort voor hij aan zijn provinciale verkenningen begon, weduwnaar geworden en trok in de loop der jaren met zijn vier kinderen, plus huishoudster of zuster, bij tijd en wijle het land door. Dat ging er comfortabeler aan toe dan voorheen, want je hoefde geen donkere kameruitrusting meer mee te sjouwen – alleen maar negatiefplaten. Misschien wilde hij met die tripjes zijn kinderen wel afleiden van de leegte thuis.

Wat we te zien krijgen is het Nederland van Aap Noot Mies, van Isings schoolplaten, van Breitners stoere waspitten en van Van Goghs boeren en buitenlui. Alle kleine en grotere meisjes in Assendelft, Aalsmeer en Abcoude dragen hoedjes en witte schorten, geen jongen in Nieuwendam en Nieuwersluis of hij loopt rond met pet en klompen, oudere vrouwen van Bolsward tot Bloemendaal hebben dezelfde imposante, kegelvormige gestalte als koningin Wilhelmina, zoals gebeeldhouwd door Charlotte van Pallandt. En de mannen? Die hooien vooral, ze laden en lossen hun platbodems, of ze brengen de koopwaar aan de man die ze hun honden laten voorttrekken.

Er was geen tuig of oorlog te bekennen, maar het platteland wemelde van militairen. Knapen waren ze, die vermoedelijk bij een schot nieuwsgierig opstonden om te kijken waar het geluid vandaan kwam. De grappigste foto van deze bevolkingsgroep laat – in de steppe rondom Vijfhuizen – een laag afdakje zien van zo’n twee bij twee meter, met daaronder schuilend twee geüniformeerde bonestaken en daarnaast een hogergeplaatste, want beter gemutste man, die het doet voorkomen dat hij door zijn verrekijker iets bespiedt dat de aanwezigheid van zijn rang aldaar rechtvaardigt.

De overige tijdgenoten die Olie aantrof op boerenerven, langs vaarten en plassen, bij landhuizen en kasteeltjes lijken op hem afgekomen als kinderen op een ijscokar. Ze stellen zich voor de camera op als voor een staatsieportret, waarbij niet zijzelf als individuen er toe lijken te doen, maar de gemeenschap, het dorp, het land. Voor Olie’s kinderen is elke plek een hangplek. Ze lanterfanten in een duinpan, lummelen wat rond bij sloten en grachten, slenteren door Montfoort en IJsselstein. Close-ups van hen ontbreken, ook zij gaan op in het landschap.

Hoe het komt dat dat landschap keer op keer mooier is dan nu, de verten weidser, de bomen grootser, de straten liefelijker, het water schoner, de boten imposanter en de mensen onschuldiger? Dat is de schuld van Olie.

    • Marianne Vermeijden