Lachen naar niemand

Schilders kijken op zelfportretten alerter en aandachtiger dan de meeste andere geportretteerden. Aan die blik is te zien dat de kunstenaar schilder en model tegelijk was.

Dick Ket, ‘Zelfportret met Bolskruik’, 1932. Olieverf op doek, 79×52,2 cm. Foto Caldic Collectie Caldic Collectie

Gay.nl is een van de drukst bevaren homowebsites van ons land. Driekwart van jong homoseksueel Nederland biedt zich daar aan voor virtueel of fysiek contact, en het is interessant om te zien met wat voor foto’s die jongens dat doen (lesbiennes vormen een kleine minderheid). Je kijkt je ogen uit. Niet eens zozeer op de bovenlijven en geslachtsdelen als wel op de facepics die zijn gemaakt via de spiegel of de webcam. Of met het fototoestel of mobieltje aan het einde van twee uitgestrekte armen, zodat je je als kijker omhelsd voelt door zo’n stoer kijkende of juist vrolijk lachende jongen. Er was niemand in de buurt om die foto van hem te maken, dus hij moest het zelf doen. Het is gek om te bedenken dat hij lachte naar zichzelf, of beter gezegd naar niemand. Naar een camera zonder fotograaf.

Op webcamfoto’s kijkt zo’n jongen vaak niet in de lens, maar net eronder of iets opzij, naar zijn computerbeeldscherm, waarop hij ziet wat de camera ziet. Hem, de jongen, met een ironische of coole blik, een grote divazonnebril of een guitig petje op het hoofd, met hippe kleren aan of juist zonder shirt. Peinzend met een vinger aan de kin, dat kan ook, om aan te geven dat hij meer van het introspectieve type is. Ik zit op mijn beurt met mijn hoofd op mijn hand te staren naar het scherm waarop al die foto’s langskomen, en steeds denk ik: daar is dus niemand bij. Die is zich helemaal alleen in zijn kamertje aan het uitsloven. Het is zoiets als playbacken voor de spiegel, met dat verschil dat je niet playbackend voor de spiegel gezien wilt worden, terwijl je zulke profielfoto’s juist maakt om bekeken te worden en indruk te maken.

Op gay.nl doen de mensen extra hun best om er leuk en lekker uit te zien, omdat seksuele geaardheid er nu eenmaal de verbindende factor is. Maar ook op profielensites als Hyves of Facebook zijn argwaanwekkend veel jongeren knap en grappig, cool en sexy. Men laat zich zien zoals men gezien wil worden. De amateurfoto’s op deze sites zijn de zelfportretten van nu.

Niet dat er tegenwoordig door

kunstenaars geen zelfportretten meer gemaakt worden. Integendeel, zo blijkt bijvoorbeeld op de tentoonstelling Met eigen ogen in het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn zelfportretten te zien uit de Nederlandse moderne kunst in de volle breedte, van Rineke Dijkstra tot Henk Helmantel en van Carel Willink tot Bas Jan Ader. Net als de profielfoto’s op internet zijn ze vaak representatief bedoeld. We zien de kunstenaar zoals hij zichzelf ziet of wil zien.

Willem den Ouden schildert elke zomer de zon en de wolken boven de Waal, vanaf een vaste plek langs de dijk in het Betuwse Varik. Behalve twee jaar geleden. Toen was hij door omstandigheden wat meer aan huis gebonden. Om toch ergens aan te werken zette hij een spiegel in de tuin en maakte een zelfportret. Dat hangt nu in Den Bosch. We zien Den Ouden van onderaf, in een blauwe blouse tegen een blauwe hemel. Hij kijkt naar de lucht en houdt een arm omhoog om zijn ogen te beschermen tegen de felle zon. Midden in de schaduwbaan op zijn gezicht is de zon voor ons toch zichtbaar in de reflectie van zijn bril. Ze schittert ook in de metalen bus van het penseel in zijn hand. De mondhoeken van de schilder krullen iets omhoog: omdat hij tegen de zon in kijkt, of omdat hij gelukkig is. Of allebei. Willem den Ouden is gelukkig als schilder van de zon. Daarom heeft hij zichzelf in die hoedanigheid vereeuwigd.

Waar Den Oudens zelfportret tamelijk grof geschilderd is, meer op licht en kleur dan op huid en haar, daar heeft Dick Ket in 1932 zijn eigen hoofd en bovenlijf heel precies weergegeven. Achter hem hangt een affiche, voor hem staan twee aarden kruiken en een witte kom, en daartussenin is de schilder zelf net zo goed onderdeel van het stilleven. Ket heeft zijn eigen ogen, snor en nagels, zijn vlinderdas en het knoopje aan zijn witte hemd even aandachtig behandeld als de reflectie in de kruiken en de zachte schaduw in de kom. Ook dit is een zelfportret als een visitekaartje: dit ben ik, zo kijk ik, hier is het mij om te doen.

Een merkwaardig schilderij in dit verband is een groot doek van Sidi el Karchi, een portrettist die duidelijk werkt naar foto’s, die hij in verf opblaast en stileert. Maar zijn zelfportret is toch een klassiek zelfportret van een schilder ten halven lijve met een palet en een penseel in de hand – zij het dat de drie kleuren op dat palet als vuurwerksliertjes omhoog springen. El Karchi was waarschijnlijk niet écht aan het schilderen toen hij voor de foto poseerde, maar hij wilde wel schilderend in zijn schilderij. Want een portret van iemand met een penseel in de aanslag, dat kan niet missen, dat is een zelfportret.

Toch is een palet of penseel niet

het enige en misschien zelfs niet het eerste waaraan je een klassiek zelfportret herkent. Wandelend door museumzalen met oude kunst kun je zelfportretten – ook die zonder schildersattributen – vaak in één oogopslag van andere portretten onderscheiden. Het verschil zit hem in de oogopslag die je terug krijgt. Waar gewone geportretteerden vaak blanco of zelfs een beetje verveeld de schilderijlijst uit staren, wachtend tot ze weer van hun stoel af mogen om buiten te spelen, daar kijkt de schilder die voor zichzelf poseert jou – want zijn eigen spiegelbeeld – meestal recht in de ogen. Oplettend. Bij de les. Aan die aandachtige blik zie je dat hij schilder en model tegelijk was. Hij heeft zichzelf op heterdaad betrapt.

Voor ijdelheid is in zo’n zelfportret weinig ruimte. Het blijft natuurlijk navelstaren op ooghoogte, maar schilders die naar de waarneming werken kijken daarbij vooral analytisch: hoe ligt mijn snotgootje precies tussen neus en lippen, wat voor kleuren heeft de schaduw van mijn arm op mijn gezicht, hoe verhoudt het wit van mijn hemd zich tot het wit van de kom op tafel? Veel portrettisten slaan de hand aan zichzelf bij wijze van oefening. Om te studeren op de schildertechniek, op gezichtsuitdrukkingen, op licht en schaduw: op het vertalen van wat je ziet als je naar een model kijkt. En je bent zelf je geduldigste model. Alles mag en overal is tijd voor. Er zijn dan ook nogal wat schilders die zelfportretten in tegenlicht hebben gemaakt: mij schieten voorbeelden te binnen van Léon Spilliaert, Willem Witsen, Paula Modersohn-Becker en de jonge Rembrandt, in het Rijksmuseum. Hun hoofden werden silhouetten met soms maar een klein beetje doortekening, net genoeg om in de schaduw een gezicht te kunnen zien. Een interessante schilderkunstige opgave. Maar de meeste opdrachtgevers hebben daar geen boodschap aan, die willen er mooi op, in helder licht. Voor wat niet flatteert gebruik je maar lekker je eigen hoofd.

Rembrandt, zo weten we uit zijn werk, trok gekke bekken voor de spiegel en hield verkleedpartijtjes. Op de tentoonstelling in ’s-Hertogenbosch hangen drie zelfportretten uit 2002 van de popfotograaf Anton Corbijn, die zich daarvoor liet schminken als zijn idolen Jimi Hendrix, Sid Vicious en Frank Zappa. Dat komt dicht in de buurt van het playbacken voor de spiegel. Maar niet van de profielfoto’s op internet, want het ziet er eerder lachwekkend dan aantrekkelijk uit. Meer als een uitprobeersel dan als een visitekaartje.

Veel kunstenaarszelfportretten zijn

uitprobeersels. Of, voor wie het graag existentiëler gezegd wil hebben: zelfonderzoeken. Je observeert jezelf in allerlei omstandigheden. Vooral de expressionisten ontzagen daarbij hun eigen lelijke of waanzinnige kanten niet. Denk aan Vincent van Gogh, de vader van het expressionisme, aan Egon Schiele of aan de Oostenrijker Richard Gerstl, die zichzelf in 1908 vreemd grijnslachend schilderde en zich kort daarna voor de spiegel in zijn atelier verhing. Denk ook nog eens terug aan de zelfportretten van de Finse schilderes Helene Schjerfbeck (1862-1946), die twee jaar geleden in het Haags Gemeentemuseum werden tentoongesteld. Zoals zij het tekende en schilderde was haar gezicht een karikatuur van dat van Paul McCartney: samengeknepen mondje, skeletachtige neus, hangende hondenogen onder strenge wenkbrauwen. Naarmate de jaren verstreken maakte ze er steeds meer een doodshoofd van en op de laatste zelfportretten lijkt het op het masker uit de Scream-films.

Profielfoto’s op internet zijn vaak te mooi om waar te zijn, maar wat de expressionisten deden is dus het andere uiterste. Die maakten het soms zo bont dat je denkt: zo erg kan het niet zijn geweest. Intussen profileert de expressionist zich als zelfonderzoeker en daarmee is zijn zelfportret toch nog een visitekaartje, of modieuzer: een statement.

Het hóéft ook niet waar te zijn. Dat is het mooie van een zelfportret: er is meestal geen opdrachtgever, er zijn geen eisen, het hoeft niet per se te lijken. Rembrandts zelfportretten lijken niet op elkaar en niet op het portret dat zijn jeugdvriend Jan Lievens van hem maakte (nu te zien op de Lievens-tentoonstelling in het Rembrandthuis). Ja, oké: dat rossige haar en die grote neus. Maar voor de rest is elk zelfportret anders. De echte Rembrandt wil niet opstaan. En toch is hij in al die schilderijen aanwezig. Zoals je in een olifant tussen het dikke, rimpelige vel soms ineens een wijs, bijna menselijk oog kunt ontwaren, zo komt er in Rembrandts zelfportretten soms een oog uit de verf dat je doordringend aankijkt, of een geheel van ogen, neus en mond, een blik, een uitdrukking waarvan je denkt: daar zal je hem hebben. Rembrandt zelf. Hij was misschien niet goed in het treffen van een gelijkenis, maar zijn zelfportretten hebben wel vaak een grote présence. Dat komt denk ik door die typische zelfportrettenblik. De blik die op ons gericht lijkt, maar op zichzelf gericht is.

Ik ken trouwens ook hier en nu wel goede tekenaars en schilders die er in hun zelfportretten heel anders uitzien dan in mijn ogen. Niet zozeer mooier of lelijker, maar anders. Omdat ze zichzelf in de spiegel zien, waarschijnlijk, maar ook omdat ze zichzelf zien met de andere ogen die hun eigen ogen nu eenmaal zijn. Je geeft je nog bloter dan je denkt, in zo’n zelfportret. Je laat niet alleen jezelf zien, maar ook hoe je jezelf ziet – bewust én onbewust. Kunstenaars die weten dat het zo werkt, komen een beetje beschroomd met hun zelfportretten voor de dag.

Nog vaker dan in de schilderkunst kom ik vrienden en kennissen tegen op internet. Bijna iedereen staat tenslotte op internet, ikzelf ingezonderd. Op gay.nl, op Hyves of op Facebook. Bij onze profielen hebben we de leukste foto’s gezet die we van onszelf hebben. Laat het zelfonderzoek maar aan de kunstenaars over. Wij zijn vrolijk en zongebruind, mooi aangekleed of opgemaakt, gefotografeerd van onze beste kant. En we kijken naar elkaars foto’s. Ook die lijken vaak niet, vind ik. Zelfs als geflatteerde beelden lijken de zelfportretten van mijn vrienden niet. De beste kant die zij van zichzelf tonen, is niet de beste kant die ik van hen ken. Maar blijkbaar is dit hoe zij denken dat anderen hen het liefst zien. Dat zegt iets over hen, en zo laten ze zich in hun zelfportretten toch nog kennen.

Met eigen ogen. Zelfportretten in de Nederlandse moderne kunst. T/m 30 augustus in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, ’s-Hertogenbosch. Inl: www.noordbrabantsmuseum.nl

    • Gijsbert van der Wal