Kom, we gaan samen schieten

De briefwisseling van Rudy Kousbroek en W.F. Hermans gaat even vaak over auto’s en machines als over literatuur en filosofie. Het resultaat is leerzaam, onderhoudend en spannend.

Rudy Kousbroek en WIllem Frederik HErmans Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy: Machines en emoties. Een briefwisseling. Bezorgd door Willem Otterspeer. De Bezige Bij, 414 blz. € 27,50

Mokkend constateerde Hermans Magazine dit voorjaar dat biograaf Willem Otterspeer nu alwéér niet kwam met het eerste deel van zijn biografie van Willem Frederik Hermans. In plaats daarvan stond ‘Blijf mij bewonderen, maar op een afstand’, de correspondentie van W.F. Hermans en Rudy Kousbroek op de rol. Het boek is nu verschenen, heeft een andere titel en er staan ook mooie brieven van Ethel Portnoy in. Het is echter vooral de grote kwaliteit van Machines en emoties die de kat in het blad curieus maakt.

Een verrassing is het hoge niveau van deze brieven niet: de uitgaven van Hermans’ brieven aan uitgever Geert van Oorschot en Gerard Reve hebben de laatste jaren al laten zien hoeveel ongepublicerde schatten er nog in het Hermansarchief liggen. Voeg daarbij de essayistische scherpte van Kousbroek en de knetterende ruzies aan het eind en je hebt een brievenboek dat niet alleen leerzaam en onderhoudend is, maar waarvan het laatste deel ook nog razend spannend blijkt.

In zekere zin is de band tussen Kousbroek (1929) en Hermans (1921-1995) een verlate jongensvriendschap. Verlaat omdat de betrokkenen al 36 en 44 waren – vrijwel de hele correspondentie speelde zich af van begin 1965 tot eind 1967, met in 1970-1971 een kort naspel. En een jongensvriendschap omdat ze het veel hebben over wat je jongensdingen zou kunnen noemen: auto’s en hun topsnelheden bijvoorbeeld, machines en apparaten die ze op vlooienmarkten aantreffen, foto’s ontwikkelen en het willen ‘afvuren van de diverse voorladers die ik bezit’. Aan het eind van de rit, als de ruzies hun tol hebben geëist, geeft zelfs Hermans toe dat hij nog wel eens een tochtje zou willen maken als hun gezamenlijke uitstapje naar een autotentoonstelling in Turijn.

Jongensdingen dus, maar jongensdingen die bij deze schrijvers verre van triviaal zijn: Kousbroek en Hermans behoorden tot een kleine minderheid onder de Nederlandse auteurs met een meer dan oppervlakkige belangstelling voor techniek en exacte wetenschap, voor wat Wittgenstein omschreef als de feiten waarin de wereld uiteen valt. Over die Oostenrijkse filosoof (1889-1951) gaat het vooral in het eerste deel van de briefwisseling veel. Hermans is daarin de (overigens onder specialisten omstreden) kenner, Kousbroek de belangstellende leek, die van zijn oudere vriend keer op keer te horen krijgt dat hij niet over Wittgenstein moet lezen, maar Wittgenstein zelf.

Hermans zelf geeft onomwonden toe dat hij de filosoof in de eerste plaats literair leest: ‘Voor mij staat niet de vraag voorop: wat heeft W. bedoeld – maar in hoeverre past het in wat ik zelf denk.’ Om dat uit te leggen, en om duidelijk te maken waarin hij zelf meent te verschillen van de meeste andere schrijvers haalt hij een cruciaal citaat uit Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus aan: ‘Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.’ Voeg daarbij wat Wittgenstein zes stellingen later schrijft (‘Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke’) en je raakt aan waar het de literator Hermans om begonnen was.

Daarmee is niet bedoeld dat Machines en emoties nu zulke zware kost is. Vooral Hermans is vaak geestig, bijvoorbeeld in zijn antwoord op Kousbroeks vraag of die de Principia mathematica van Alfred North Whitehead en Bertrand Russell heeft gelezen: ‘Ik geloof Russell op erewoord dat hij het beter weet dan ik.’ In dezelfde brief schrijft hij over de inwoners van Kaïro: ‘Ze houden veel van zitten of hebben door werkeloosheid niets anders te doen [...] Ik heb nog nooit een huis gezien met zoveel gelegenheid tot zitten, stoelen, fauteuils, banken, divans, canapé’s, bedden, kussens, tapijten.’

De beste brieven uit de bundel zijn van de vaak vlijmscherpe Hermans, maar Kousbroek toont zich geregeld een echte essayist, die al schrijvend probeert iets nieuws te bedenken (Hermans wist alles natuurlijk allang). Dat vermogen toont zich bijvoorbeeld wanneer Kousbroek schrijft over Hermans’ fascinatie voor verval als thema, die hij niet deelt. ‘Ik zeg niet dat het mij totaal onbegrijpelijk is, maar ik beleef het van de buitenkant, zoals met andere dingen die ik op dezelfde manier ervaar, bijvoorbeeld de enorme fascinatie die een misdadig of wreed uiterlijk voor sommige mensen heeft’. Waarna Kousbroek rustig verder redeneert over drugs en vervoering die hij dan associeert met ‘een religieuze impuls’, waarna hij Hermans vraagt naar de rol van verdoemenis in diens werk en de kwestie of hij zijn eigen personages als tragisch ziet. Kousbroek beweert dan relatief weinig, maar toont des te meer van een mogelijke samenhang.

Je ziet hier ook de breed kijkende, twijfelende essayist Kousbroek staan tegenover de bij vlagen monomane romancier Hermans. Kousbroek hield veel méér ballen in de lucht, en kwam aan het schrijven van zijn roman dan ook niet toe.

Kousbroek beklaagt zich geregeld over de drukte: hij probeerde in Parijs van de pen te leven en werkte zich een slag in de rondte, vooral voor de Haagse Post en het Algemeen Handelsblad. Aan veel, zoals ook aan Hermans schrijven, komt hij vaak niet toe. Dat tijdgebrek geeft de verhouding tussen de twee mannen een zeker evenwicht en dubbelheid. Inhoudelijk gezien is Kousbroek de jongere, degene die zich interesseert voor de ander, in het begin zelfs met een lichte onderdanigheid. Hij is degene die zich ook wat inhoudt, voorzichtig schrijft, niet zonder reden bevreesd om Hermans kwaad te maken. Maar als de briefwisseling eenmaal op gang komt, wordt Hermans juist de vragende partij omdat Kousbroek zo weinig tijd heeft. Dat laatste is ook de reden waarom een gezamenlijk project (een boekje tegen modern aerodynamisch design) maar niet van de grond komt. Even lastig blijken voorgenomen bezoekjes en logeerpartijen van Hermans’ zoon Ruprecht en Kousbroeks dochter Hepzibah.

Het familiaire karakter van de omgang wordt benadrukt doordat ook de brieven van de schrijfster Ethel Portnoy (1927- 2004) zijn opgenomen, destijds Kousbroeks echtgenote. Die schrijft minder over filosofie en techniek dan de twee mannen, maar haar brieven zijn zeker de moeite waard, al is het maar om de vloeiende wijze waarop gedachten over moederschap en borstvoeding overgaan in een korte analyse van het werk van Ronald Barthes.

Niettegenstaande de prachtige passages in het eerste driekwart van Machines en emoties, is het dramatisch hoogtepunt van de briefwisseling toch de breuk, eigenlijk een dubbele breuk. Die wordt voorafgegaan door kleine irritaties zoals Kousbroeks zwijgen over Hermans’ roman Nooit meer slapen, maar wordt een serieus conflict wanneer Kousbroek weifelt bij het polemiseren met K.L. Poll, van zijn eigen Algemeen Handelsblad. Hij vreest dat wanneer hij het in het openbaar voor Hermans opneemt, dat door de buitenwereld een vriendendienst zal lijken – en dus niet serieus genomen zal worden.

Het is een voorzichtigheid waar Hermans uiteraard geen genoegen mee neemt. Eind 1967 barst in een paar elektriserende brieven de bom. ‘Iets anders is’, schrijft Kousbroek, ‘dat je relaties met de mensen op persoonlijk niveau niet vrij zijn van een maniakale inslag.’ En, om het erger te maken: ‘Het lijkt mij onmogelijk dat je dit zelf niet weet.’

Die laatste vilein-hautaine suggestie treft doel bij Hermans, die riposteert: ‘Het enige wat mijzelf over mijn persoonlijke relaties bekend is is dat ik een aan het wonderbaarlijke grenzend gevoel heb voor het juiste tijdstip waarop ze mij beginnen te compromitteren.’

Toch eindigt die brief niet met het dichtslaan van de deur, maar met de woorden ‘Enfin, je ziet maar. We zien maar. Wij zijn allemaal gezond, ook hond en kat.’ Uit dat slot blijkt dat Hermans deze ruzie met tegenzin uitvecht, dat hij misschien wel liever de strijdbijl zou begraven – Kousbroek en hij zijn dan amper drie jaar intensief aan het corresponderen.

Juist die sporen van tegenzin maken de laatste brieven spannend. De schrijvers staan tegenover elkaar als twee vechtende jongens op het schoolplein. Ze slaan hard, maar willen eigenlijk vrienden blijven. Het ellendige is dat de klappen die bij zo’n gevecht worden uitgedeeld, wel blijvende schade aanrichten. Zo ook in dit geval. Na twee jaar wordt de correspondentie kortstondig hervat, maar zonder de esprit van voorheen. In de basis is een afstandelijkheid ontstaan, die niet meer verdwijnt.

De bom barst wanneer Kousbroek Hermans begin jaren ’70 niet steunt in diens Weinreb-polemiek met Renate Rubinstein. In een interview achterin Machines en emoties geeft Kousbroek nu toe dat zijn positiebepaling in dat debat een vergissing was, ingegeven door medelijden met Rubinstein. Dat er iets persoonlijks speelde vermoedde Hermans ook al, al formuleerde hij het een stuk onvriendelijker, in de kwaadste brief van allemaal: hij vermoedt dat de oorzaak is ‘dat je misschien erg bang van Renate bent of graag met haar naar bed wil’.

Er volgen nog een paar brieven, maar de laatste gevechtshandelingen zijn de interessantste niet. Die geven een relatief kalm einde aan een scherpe en opwindende briefwisseling. Als Hermans’ biograaf elk jaar zo’n correspondentie uit het archief licht, zal geen oprechte fan hem de maat nemen over de verschijningsdatum van de biografie.

    • Arjen Fortuin