Hét verhaal bestaat niet

Er is de laatste weken veel gesteggeld over het Nationaal Historisch Museum. Er is een simpele oplossing: er vanaf zien.

Een van de grootste schatten van het British Museum in Londen zijn de Elgin Marbles. Deze marmeren beelden werden niet gemaakt in het land dat het museum zijn naam geeft, maar duizenden kilometers verderop en duizenden jaren geleden. Ze werden begin negentiende eeuw door Lord Elgin, Brits gezant bij het Ottomaanse Rijk, geroofd van de Atheense Akropolis en voor een klein bedrag verkocht aan de Britse overheid. Nog steeds behoren de beelden tot de pronkstukken van het British Museum, net als de Steen van Rosetta uit Egypte en de bronzen koningskoppen uit Benin. Brits kun je al deze schatten niet noemen; het enige Britse eraan is dat het een tijd misschien als Brits gezien zou kunnen worden om kunst uit andere landen te roven. Nu heeft het museum zichzelf een ondertitel gegeven. Het noemt zich ‘Museum of the World for the World’.

Het British Museum is zelf geschiedenis geworden; het gebouw en de collectie gaan niet alleen over geschiedenis, ze zijn het ook. Wie naar de Elgin Marbles gaat kijken, ziet niet alleen Griekse sculptuur uit de vijfde eeuw voor Christus, maar ook de geschiedenis van Griekenland en Engeland en Turkije in de 2500 jaar die sindsdien zijn verstreken. In het nieuwe Akropolis Museum in Athene, dat in juni opengaat, is ruimte voor de Elgin Marbles gereserveerd, maar die zalen blijven waarschijnlijk leeg.

Ook Nederland heeft musea

met geschiedenis, zoals het Rijksmuseum. Dit museum bezit geen antiquiteiten – die zijn ondergebracht in het Rijksmuseum voor Oudheden. Maar de vrij recente grote collectie Aziatische kunst kun je wel zien als getuige van het rijke koloniale verleden van Nederland. De collectie is, net als die van het British Museum of de eveneens Britse National Gallery, waar meer schilderijen van buitenlanders dan van Britten hangen, gegroeid uit allerlei vorstelijke en particuliere verzamelingen en bezit daardoor naast historie ook een zekere willekeur.

Geschiedenis en musea staan altijd op gespannen voet met elkaar. Het verleden is nooit zo in beelden te vatten als latere generaties misschien zouden willen. Er is geen correlatie tussen gebeurtenissen en dingen; het aanzien van een gebeurtenis is niet in aantallen schilderijen en objecten weer te geven. Schoonheid wint het vaak van historisch belang. Tussen verleden en heden staat niet alleen de tijd maar ook het toeval; wat is vergaan, vernietigd, verdwenen, wat is bovengedreven, opgediept, altijd blijven bestaan? Al die stillevens uit de zeventiende eeuw van citroenen en vissen en stukken brood; wie zou ze willen ruilen voor een beeldverslag van de eerste vergadering van de VOC of een foto van de ondertekening van het Plakkaat van Verlatinghe?

Ontroerend vind ik een aanwinst van het Rijksmuseum uit 2007, De beeldenstorm van Dirk van Delen, volgens het museum het enige schilderij waarop deze belangrijke gebeurtenis uit het Nederlands verleden is afgebeeld. Maar het is een schilderij uit 1630, en de Beeldenstorm was in 1566...

Het Rijksmuseum noemt zichzelf ‘nationaal museum voor kunst en geschiedenis’. Die geschiedenis zal na de verbouwing een prominentere rol krijgen in het gebouw. Maar de historische poot van het museum krijgt nog voor het gebouw weer opengaat misschien al concurrentie van het Nationaal Historisch Museum. Over dat museum, waarvoor de eerste plannen uit 2006 dateren, is al veel gesteggeld. Wel of niet gebaseerd op de canon, wel of niet in Arnhem, wel of niet naast het Openluchtmuseum, wel of niet samen met het Huis der Democratie, wel of niet chronologisch, toch liever in Amsterdam, Den Haag of Paleis Soestdijk. De simpelste oplossing voor al dat gedoe is er vanaf te zien. Geen Nationaal Historisch Museum, alsjeblieft.

De naam is zo normerend als de naam ‘rijksmuseum’ in de negentiende eeuw geweest moet zijn, maar daar is de norm nu wel afgesleten. De verheerlijking van het Koninkrijk der Nederlanden is daar iets van het verleden; ‘een weldadige invloed op het vaderlands gevoel’, zoals De gids bij de opening in 1885 schreef, hoeft het niet meer te hebben.

Het Rijksmuseum betekent nu vooral het gebouw in Amsterdam en alles wat daar te zien is of in depot verblijft. Zo vanzelfsprekend is het Nationaal Historisch Museum nog lang niet, en ik hoop dat het dat nooit zal worden. Een Nationaal Historisch Museum is expres, terwijl het Rijksmuseum in zekere zin per ongeluk is geworden.

Een van de argumenten voor een Nationaal Historisch Museum is dat elementen uit de Nederlandse geschiedenis te zien zijn in tal van musea, maar het complete verhaal nergens wordt verteld. Voor mij is dat juist een van de argumenten die tegen zo’n nationaal museum pleiten. Het complete verhaal kan niet verteld worden – het bestaat niet.

Een ander argument is dat het slecht gesteld is met het historisch besef van de Nederlanders – en laten we hopen dat die term een soort steno is voor de mensen die wonen in het stuk land dat nu door België, Duitsland en Luxemburg wordt begrensd (die grenzen hebben ook wel eens anders gelopen). Initiatieven om historisch besef te doen toenemen zijn vast toe te juichen, maar waarom moet dat in een nationaal kader? Opdat we weten waarvoor we juichen als het Nederlands elftal wint? Ik zou liever ook kunnen juichen als Rusland of Marokko beter speelt. Het zou mooi zijn als een museum het belang van begrippen als volk en natie deed af- in plaats van toenemen.

Het NHM krijgt geen eigen collectie.

De geschiedenis zal vooral virtueel verteld worden, via films en games. Directeuren Schilp en Byvanck beloofden dat je er virtueel in een middeleeuwse stad kunt rondlopen. Dat lijkt me geweldig – ik kan niet wachten. Maar om van zo’n ervaring te genieten is geen nationaal kader nodig. In de Middeleeuwen was er geen Nederland.

Het NHM lijkt in de huidige opzet geen plek waar je een historische sensatie à la Huizinga kunt ervaren. Die komt tot stand door contact met een ‘echt’ stuk verleden. Daarvan is in Nederland veel, en soms sta je op een plek – het Muiderslot, een akker waarin je een pijpenkop kunt vinden, een hunebed, een heuvelrug uit een ijstijd – waar je opeens ziet en weet en voelt dat het hier ooit anders is geweest; dat deze plek er al was toen Nederland nog niet bestond en er waarschijnlijk, hopelijk, nog zal zijn als Nederland niet meer bestaat, als de Elgin Marbles in het Akropolis Museum verkruimeld zijn.

    • Bianca Stigter