Heerlijke schone wereld

Uit de dubbele crisis van krediet en klimaat doemt een hoopvol begrip op: de ‘Green New Deal’. Is zo’n klimaatvriendelijke economische hervorming een utopische droom of een glimp van de toekomst?

Zonnepaneelpark, Spanje Foto Reuters A worker walks past solar panels at a soon-to-be completed solar park at Sanlucar La Mayor, near Seville, May 16, 2007. The first of two solar thermal power plants uses mirrors to concentrate the sun's rays onto the top of a 100 metre (300 foot) tower where it produces steam to drive a turbine. REUTERS/Javier Barbancho (SPAIN) REUTERS

Van Jones: The Green Collar Economy. How One Solution Can Fix Our Two Biggest Problems. HarperOne, 237 blz. € 29,-

Anthony Giddens: The Politics of Climate Change.Polity Press, 264 blz. €17,-

In Milwaukee zijn ze ermee begonnen. Bewoners van de plaatselijke Prachtwijken kunnen er hun huizen laten isoleren en zonnepanelen bestellen, nagenoeg zonder dat het ze wat kost. De hoge aanschafkosten worden voorgeschoten door een particulier fonds. Hun energierekening wordt veel lager, maar de prachtwijkers blijven aanvankelijk evenveel betalen als ze voorheen deden; het verschil gaat terug naar het fonds. Het project levert banen op, want al die zonnepanelen, zuinige ijskasten en verwarmingen moeten geïnstalleerd worden. Milwaukee kreeg al bezoek van de Amerikaanse energieminister, Steven Chu.

Het Milwaukee-project is een minivoorbeeld van wat, naar analogie van het crisisprogramma van president Roosevelt uit de jaren dertig, de Green New Deal wordt genoemd: het meeslepende idee om met het drastisch klimaatvriendelijk maken van de economie banen te scheppen. Een Green New Deal kan volgens voorstanders in één klap twee grote problemen aanpakken: de opwarming van de aarde en het zieltogen van de economie. Nog mooier: ook de afhankelijkheid van olie en bijbehorende ‘vuile’ geopolitiek zou ermee worden teruggedrongen.

Geen wonder dat het idee over de wereld stuitert, helemaal sinds het in september door Thomas Friedman werd bejubeld in zijn boek Hot, Flat and Crowded (Boeken, 12.09.08). Obama omhelsde het, VN-chef Ban Ki-Moon is helemaal vóór. In Nederland leeft het bij Groen Links en bij gemeentes, die er hun werkgelegenheid en imago mee willen opkrikken. Onder aanvoering van de burgemeester van Doetinchem wil de Achterhoek de economie vergroenen naar ideeën van Friedman, en Amsterdam maakte begin deze week bekend dat het in 2025 voor dertig procent op duurzame energie wil draaien.

Duitsland loopt voorop in windenergie. Na de oliecrisis voerde Zweden een koolstoftax in, wat leidde tot eenderde minder uitstoot tussen 1970 en 1990. Ondertussen groeide de economie er met 44 procent. Het fanatieke Costa Rica wil in 2020 van zijn broeikasgassen af zijn. Sluit je ogen, droom weg en die heerlijke schone wereld doemt al op.

Maar eenmaal wakker blijkt dat het isoleren van een half miljoen Nederlandse huizen een daling van 0,65 procent van de CO2-uitstoot geeft, en dat westerse landen mét hun industrie ook hun CO2-uitstoot naar lage lonenlanden outsourcen. Yale University rangschikte de 56 rijkste industrielanden op hun antibroeikasgasprestaties. Zweden, Duitsland en IJsland spanden zich het meest in. Nederland staat op de dertigste plaats, na Spanje. Van de 6 miljard aan maatregelen die het kabinet neemt tegen de crisis, is maar een heel klein deel gericht op duurzaamheid. Banken hebben nu geen geld over voor het plan Achterhoek Authentiek Anders. En in het opiniestuk over de toekomst van het kapitalisme van premier Balkenende in deze krant, vorige week, kwam het woord klimaatverandering niet voor.

In de aanloop naar de grote VN klimaatconferentie in Kopenhagen in december, waar de opvolger van het Kyoto-protocol moet worden aangenomen en waarvoor maandag a.s. in Bonn weer een voorronde begint, proberen Europa en de VS ondertussen wel schoon voor de dag te komen. De EU wil de uitstoot in 2020 met 20 procent teruggedrongen hebben ten opzichte van 1990, Obama wil in 2050 tachtig procent van zijn broeikasgas kwijt zijn. De uitstoot van auto’s wordt in de EU en VS aan banden gelegd.

Maar dat alles is nog maar een fractie van wat nodig is om de omslag naar duurzame energie ook daadwerkelijk te maken, betoogt de Britse socioloog Anthony Giddens, voormalig directeur van de London School of Economics, in zijn pas verschenen boek The Politics of Climate Change. Van de noodzakelijke ‘mobilisatie op oorlogssterkte’ of ‘mentaliteitsomslag’ is volgens hem nog niks te merken. In het stellen van klimaatdoelen ziet hij weinig, typisch iets voor onmachtige politici. ‘Er is nog niet zoiets als een geïntegreerde klimaat-energiepolitiek,’ schrijft hij.

Activist Van Jones schrijft bijna letterlijk hetzelfde in zijn The Green Collar Economy uit 2008, maar hij biedt ook hoop. Hij vergelijkt de energietransitie met de internetrevolutie die ondernemend Amerika in de jaren negentig tot stand bracht. Ondernemers en uitvinders staan volgens Jones te trappelen om een boom in schone technologie teweeg te brengen. ‘Als de politieke obstakels eenmaal zijn weggenomen, kan niets ze tegenhouden.’

De twee boeken vullen elkaar perfect aan. Giddens is een Schreibtischtäter en scepticus, de praktijk lijkt voor hem een mysterie. Jones is de tomeloze enthousiasteling die tien jaar zelf achterstandswijken in Oakland met zonnepanelen poogde te bedekken. Zijn boek is een vurig pleidooi voor een dubbele economische transformatie; die naar schone energie en die naar herintegratie van Amerika’s uitgerangeerde onderklasse. Wind en zonne-energie, isolatie van bestaande gebouwen en recycling van oude, is arbeidsintensief en kan niet uitbesteed worden. ‘Je kunt je huis niet naar China verschepen om het daar te laten isoleren.’ Sinds maart werkt hij op het Witte Huis in een commissie die de regering adviseert over groene banen.

Jones, uit wiens ideeën Thomas Friedman overigens vrijelijk putte, gelooft heilig in het potentieel van de onderklasse. Maar het is natuurlijk nog maar de vraag of de twee groepen – de werklozen van nu en de zonnepaneelmonteurs van morgen – dezelfde zijn. Een slooppremie voor oude auto’s levert banen op, maar de reparateurs van die auto’s staan dan op straat. De besparing in CO2 lijkt niet op te wegen tegen de investeringen in onderwijs die nodig zouden zijn. Jones’ claim dat er sinds 2006 in vernieuwende energie en besparingsprogramma’s 8,5 miljoen banen geschapen zijn, lijkt uit de lucht gegrepen.

Maar dat doet allemaal weinig af aan de belangrijkste boodschap van The Green Collar Economy. Die luidt dat het klimaatdiscours vooralsnog een zaak is van de politieke en culturele elite. Het gaat over de hoofden van de rest van de mensen heen. Deze eco-chic behelst, aldus Jones, ‘duur biologisch eten, rondrijden in een Prius en het aanschaffen van zonnepanelen.’ Wie daar geen geld voor heeft, ziet het als ‘ijsberen redden’. Iets wat niks met hem te maken heeft. Iets voor kinderen, snobs en hippies.

The Green Collar Economy leest als een dringende oproep om daar iets aan te doen. Anders kunnen we die mentaliteitsomslag vergeten. En omdat de groene economie ‘van een plek waar rijke mensen geld kunnen uitgeven’, zal veranderen ‘in een plek waar gewone mensen geld kunnen verdienen,’ is het zaak het klimaat voortaan heel anders te verkopen.

Het is de onderklasse die langs snelwegen woont en bij vervuilende centrales. Het zijn laagopgeleiden die iets te winnen hebben als er mensen nodig zijn voor het isoleren van gebouwen. De ‘ecopopulist’ spreekt mensen dus daar aan waar ze het meest geraakt worden: op hun gezondheid en in hun portemonnee. Hij spreekt bovendien altijd in oplossingen, nooit in problemen, want negativiteit versterkt machteloosheidsgevoelens en wekt weerstand. Zeg dus nooit: we willen vervuilende auto’s weg hebben. Zeg altijd: we willen een astma- vrije stad.

‘Greening the getto first’ – Van Jones is al de Martin Luther King van het klimaat genoemd. Hij geeft heldere lessen basiscommunicatie voor politici die impopulaire klimaatregelingen op stapel hebben. Zijn peptalk van hoop en daadkracht doet danig aan die van streetworker-collega Obama denken, net als zijn oprechte passie. Jones is ervan overtuigd dat armen het uitgangspunt moeten zijn bij klimaatpolitiek, in plaats van de groep voor wie aan het slot van het beleidsproces nog snel compensatie geregeld moet worden. Ook dat maakt zijn boek waardevol.

Het boek van Anthony Giddens, The Politics of Climate Change, is precies het type top-down betoog waarvan Jones afstand neemt. Toch is ook dit de moeite van het lezen waard, vooral omdat Giddens de wezenlijke vraag probeert te beantwoorden die Thomas Friedman in september liet liggen: is de democratie, met haar cyclus van vier jaar en haar preoccupatie met de waan van de dag, opgewassen tegen een grens- en generatie-overstijgend probleem als de opwarming van de aarde?

Giddens’ antwoord is een volmondig ja: de milieureputatie van dictaturen is immers veel slechter dan die van democratieën. Maar er zijn wel problemen. Hoe kan een langetermijnperspectief geïntroduceerd worden in de politiek? Hoe continuïteit in beleid? Hoe om te gaan met de onzekerheidsmarges in klimaatsvoorspellingen en de risico’s van alternatieven als CO2-opslag of kernenergie?

Giddens probeert voor dit soort dilemma’s een raamwerk te geven, maar dat is zo wijd dat het vaak veel weg heeft van een open deur. Zo stelt hij dat partijen hun links-rechts tegenstellingen moeten overstijgen om het klimaatprobleem aan te pakken. Giddens en Jones zijn het intussen roerend eens over waar het heen moet. Bevoordeling en subsidiëring van vervuilende energie moet snel verdwijnen. Het weggeven van emissierechten zoals Europa heeft gedaan en Obama wil doen om zijn klimaatwet erdoor te krijgen, is niet verstandig. Rechten veilen en de opbrengst investeren in alternatieve energie levert het beste, en zichtbaarste, resultaat. Externe kosten, het eufemisme dat in bedrijfsvoering gebruikt placht te worden voor milieuschade, moeten overal geïnternaliseerd worden. Wetten die burgers actief betrekken bij de energietransitie verdienen de voorkeur.

De Green New Deal ziet Giddens vooral als een manier om het klimaat in tijden van financiële turbulentie op de agenda te houden nu groene projecten door de recessie dreigen te sneuvelen. Anderzijds heeft de kredietcrisis, het ‘1989 van de deregulering’, de staat teruggebracht en dat is gunstig voor het klimaat. Politiek en economie komen in een andere verhouding te staan. Welvaart kan niet langer alleen afgemeten worden aan het BNP, welzijnsfactoren – vervuiling, de kloof tussen arm en rijk, voorzieningen – moeten ook tellen.

In zijn sloganeske stijl constateert Jones dat ons economische stelsel ontstaan is in de late 18de eeuw, toen er ‘weinig mensen waren en heel veel natuur.’ Dat alleen al toont dat het tijd is voor verandering. Voor het klimaat schuilt er hoop in de kredietcrisis: die biedt politici de kans de economie te verduurzamen. Omgekeerd schuilt er voor de financiële sector hoop in het klimaat. Giddens wijst op de behoefte aan allerlei slimme financiële producten om alternatieve energie mogelijk te maken, fijnmazig en met een verspreid rendement – slow money is het al ergens genoemd. Van Jones beschrijft een project in Berkeley waar buurtbewoners konden intekenen op woningisolatie, waarna iemand bij een lokale bank een voordelige collectieve lening bedong. Mooie pr wellicht, voor een bank die weer wat maatschappelijk vertrouwen wil kweken.

Uit de visioenen van deze auteurs doemt een wereld op met minder kwantitatieve, maar meer kwalitatieve groei, met een verfijnder bestuurlijk stelsel en een economie ontdaan van zijn grotesk-verspillende trekken.

Kan het? Er zijn hoopvolle voorbeelden, zoals de succeswet in Duitsland die bezitters van zonnepanelen twintig jaar een vaste prijs garandeert voor stroom die ze aan het net leveren. Groen, slim, toegesneden op particulier initiatief en toch bijdragend aan de gemeenschap – yes, het kan.

Maar de schaduw van utopie is ontnuchtering, en ook die schemert de lezer van Jones en Giddens voor ogen. Die postCO2-maatschappij vereist flink wat samenwerking, een wel erg actief burgerschap plus de paradoxale combinatie van dynamisch ondernemerschap en dienstbare samenwerking. De overheid lijkt er vooralsnog erg op Groene Grote Broer en iedereen heeft er ongeveer dezelfde levensstijl. Wat gebeurt er in zo’n samenleving met privacy en individualisme – en met koppige SUV-rijders? Moet de hele wereld Zweden worden om het klimaat te redden?

Natuurlijk, Anthony Giddens en Van Jones hebben de antwoorden op deze vragen niet. Maar je moet het ze nageven: ze behoren tot de eersten die ze opwerpen.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl of Postbus 3372, 1001 AD Amsterdam

    • Maartje Somers