Goed dweilen, de schouw komt

De gangen van de kunstinstelling worden vandaag extra goed geschrobd, de deurknoppen opgepoetst en alle schilderijen met behulp van een waterpas nog eens goed recht gehangen. Iedereen, van curator tot toiletjuffrouw, helpt mee. Aan het eind van de ochtend roept de directeur van de instelling het personeel bij elkaar.

„Van deze dag hangt voor ons veel af”, houdt hij zijn gehoor voor. „Antwoord netjes met twee woorden, als je iets gevraagd wordt. En zorg vooral dat je voortdurend druk in de weer bent. Geen eindeloos gekoffieleut naast de automaat, geen lange rookpauzes op de brandtrap. Vandaag moeten we laten zien, waar we als instelling voor staan.”

Deze scène, tot nu toe vooral bekend van de komst van de inspectie bij een legeronderdeel, zou werkelijkheid kunnen worden wanneer de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels haar zin krijgt en er ‘kunstschouwen’ worden aangesteld, die in adviserende zin heer en meester worden over de gemeentelijke kunstsubsidies.

Het plan opent trouwens nog veel meer perspectieven. Wat te denken van de mogelijkheid, als in Nikolaj Gogols Revisor, dat zich aan de poort van de kunstinstelling iemand meldt die ten onrechte voor kunstschouw wordt aangezien en zich een middag laat fêteren en in de watten leggen? Een grappig vooruitzicht.

Waar die schouw goed voor is, is een andere zaak. De wethouder, die haar plan woensdag in een interview met deze krant ontvouwde, zei daar eigenlijk maar weinig over. Ja, de schouw moet zijn adviezen ten aanzien van subsidiëring in het openbaar kunnen verdedigen, zei ze.

Maar kon Jan Riesenkamp, voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad die thans de adviezen verstrekt, zich misschien niet in het openbaar verdedigen? Ik dacht het wel en van een voormalige ambtenaar in de kunstenpoot van het Haagse ministerie van OCW zou je ook niet anders verwachten. Het probleem was ook eerder dat, toen die Kunstraad vorig jaar nogal onorthodoxe adviezen uitbracht, de wethouder die niet zo op prijs wist te stellen.

Dat plaatst het plan voor de kunstschouwen in een wat ander licht: gaat het de wethouder er niet eerder om te breken met dat ondoorzichtige stelsel van commissies waarmee in Nederland op alle niveaus subsidieadviezen tot stand komen en de gemaakte keuzes op dit gebied, die tenslotte onder politieke verantwoordelijkheid vallen, meer direct aan zich te trekken? Want laten we wel zijn: wie gaat die kunstschouwen aanstellen?

De roep om meer directe politieke controle over de kunstsector is niet typisch voor Amsterdam, hij speelt eigenlijk op alle niveaus. Dat hoeft ook niet per se slecht te zijn – totdat de PVV aan de macht komt en een streep haalt door alle kunstsubsidies natuurlijk.

Wat men zich misschien te weinig realiseert, is dat hier wordt gebroken met een belangrijk bestuurlijk principe dat sinds de negentiende eeuw heeft bestaan, en dat bekend staat als de Thorbecke-doctrine: de overheid bevordert wel financieel de kunsten en cultuur, als zijnde een algemeen belang, maar onthoudt zich van directe inmenging in de inhoud van kunstuitingen.

Die doctrine is zo gek nog niet, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat partijen die toevallig aan de macht zijn, niet de kunstsubsidies kunnen gebruiken voor hun eigen programma of propaganda. Maar ja, zulke georganiseerde terughoudendheid is misschien wel ouderwets.

    • Raymond van den Boogaard