Faust in de Stad der Wonderen

Miljoenen exemplaren verkocht de Spaanse schrijver Zafón van ‘De schaduw van de wind’. Nu is er weer een roman en daarin ‘laat zelfs de souffleur het leven’.

Toreo de salón in Barcelona, gefotografeerd door Oriol Maspons Uit ‘Imágenes’, 1996 Toreo de salón in Barcelona, gefotografeerd door Oriol Maspons. Uit fotoboek ‘Imágenes’, 1996 school voor stierenvechters?

Carlos Ruiz Zafón: Het spel van de engel. Vertaald door Nelleke Geel. Signatuur, 554 blz. € 25,-

Op bijna een kwart van zijn roman Het spel van de engel lijkt de Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón heel eventjes zijn eigen frustraties van zich af te schrijven. Zijn hoofdpersoon David Martín heeft zojuist een roman gepubliceerd, het eerste serieuze werk dat uit zijn pen is gevloeid na een eindeloze reeks driestuiversromannetjes. De kritiek was genadeloos – en een bevriende boekhandelaar troost hem: ‘Je bent niet een van hen. Dat zul je nooit zijn. Je hebt het niet willen zijn en je denkt dat ze je dat zullen vergeven.’

Zafón werd vanuit het niets een wereldberoemde schrijver met zijn in 2002 verschenen roman De schaduw van de wind, die twee jaar later ook in een Nederlandse vertaling verscheen. Miljoenen exemplaren verkocht hij, maar helemaal serieus werd het boek in literaire kringen niet genomen. Met zijn mysterieuze sfeer vol cloak-and-dagger-achtige effecten, leek het boek nog het meest op een feuilleton uit de school van vader en zoon Dumas. Het stond ongetwijfeld garant voor een aantal uren spanning en leesplezier, maar grote literatuur was het niet.

Dat oordeel was niet helemaal rechtvaardig, want Zafón betoonde zich in De schaduw van de wind een even vaardig als fantasievol auteur, die op indringende wijze sferen en scènes kon oproepen. Het openingstafereel, waarin een vader zijn tienjarige zoontje Daniël laat kennismaken met een geheime bibliotheek waarin alle boeken verzameld zijn die in vergetelheid zijn weggezonken, sprak bij iedere boekenlezer zozeer tot de verbeelding dat hij er minstens een halve roman op teren kon.

De tweede helft bleef diezelfde lezer geboeid door zijn eigen nieuwsgierigheid, want hij wilde weten hoe het zou aflopen met het verhaal over het geheimzinnige boek waarvan alle exemplaren door een duister personage werden verbrand. In de afwikkeling van het plot betoonde Zafón zijn kundigheid, door alle lijnen vlekkeloos met elkaar te verknopen.

Na zo’n succes is de volgende roman altijd een hachelijke zaak. In Het spel van de engel heeft Zafón ervoor gekozen voort te borduren op zijn wereldhit, waarnaar hij expliciet verwijst. Ook nu verschijnt het Kerkhof van Vergeten Boeken een paar keer ten tonele en het kleine jongetje Daniël dat hij aan het einde van het boek op de valreep geboren laat worden zou heel goed de protagonist van De schaduw van de wind kunnen zijn.

Opnieuw vormt het betoverende Barcelona van het modernisme, Gaudí en de heimelijke verrotting van huurkazernes en sloppenwijken het decor van het boek, maar de handeling heeft één generatie eerder plaats: niet in de sombere jaren vijftig maar in de turbulente en gewelddadige jaren twintig. Méér nog dan voorheen doet Zafóns Barcelona denken aan de ‘stad der wonderen’ van Eduardo Mendoza, met zijn fabelachtige fortuinen, geforceerde modernisatie, kommervolle armoede en bewogen levensgeschiedenissen op de rand van de geloofwaardigheid.

Het grootste verschil is dat Zafón in Het spel van de engel over die laatste is heen getuimeld. Vermoedelijk is zijn literaire inspiratiebron daarvoor indirect verantwoordelijk. In Het spel van de engel heeft Zafón een modern, Barcelonees Faust-verhaal willen schrijven dat zelfs in zijn vorm (het boek is als toneelstuk opgebouwd) naar zijn oorsprong verwijst.

David Martín is de moderne Faust, die niet alleen als schrijver wil slagen, maar ook genezen wordt van een dodelijke kwaal die zijn carrière plotsklaps dreigt te kortwieken. Zijn weldoener is een zekere Corelli, een Parijse uitgever die in de tweede helft van het boek Monsieur genoemd wordt – zoals de in Spanje nog altijd populaire schrijver Laurence Durrell ‘the Prince of Darkness’ in een romantitel ook al noemde. Corelli, altijd getooid met een engelvormige speld op het smetteloze revers en eigenaar van de Éditions de la lumière, is de incarnatie van Lucifer, zoals Zafón niet nalaat de lezer uit te leggen.

Hoe cultureel-correct ook (net als in De schaduw van de wind zit dit boek vol literaire verwijzingen), die keuze voor het Faust- gegeven pakt in Het spel van de engel ongelukkig uit. Want David Martín mag aan Monsieur Corelli dan zijn ziel verkopen, in de vorm van een door hem te schrijven boek waarin hij een alternatieve godsdienst van het kwaad moet ontwerpen, de bovennatuurlijke dimensie die daarmee de plot binnensluipt bederft gaandeweg de hele roman. Waar duivels en engelen eraan te pas komen, is een natuurlijke verklaring van de wendingen van het lot niet meer van node.

Precies op dat punt vliegt Het spel van de engel uit de bocht. Niet alleen doet het grand guignol van bloed en verrotting dat Zafón de lezer voorschotelt, steeds minder aan Goethe en steeds meer aan Sarah Bernhardt denken, maar vooral lijdt de spanning van het verhaal merkbaar onder deze aaneenschakeling van onverklaarde en daarmee nogal willekeurige plotwendingen. Tot een hecht geheel wordt Het spel van de engel nergens en daarmee gaat onwillekeurig ook je aandacht verslappen.

Wat het lezen in De schaduw van de wind gaande hield met zijn belofte van een uiteindelijke logica, laat het in dit nieuwe boek steeds verder afweten. Vooral in het tweede deel rijgen de scènes zich futloos aaneen, in een steeds monotoner wordend ritme van dood en verdoeming waaronder – zoals de Spaanse uitdrukking luidt – op het toneel zelfs de souffleur het leven laat.

Dat is spijtig, want in het oproepen van intrigerende decors betoont Zafón zich in dit boek nog altijd een meester. Onder zijn hand verandert Barcelona in een wonderstad vol schittering en bederf, die een betere roman verdiend had dan dit verkapte spookverhaal.

    • Ger Groot