Decorum in de Kamer

Vaak is het goed als een parlementariër geen blad voor de mond neemt. Maar dat betekent niet dat dan het peil moet dalen. Ook als een politicus overtuigd is van zijn gelijk, een houding die hoort bij het ambacht, wordt hij niet ontslagen van de plicht dit op een zo hoog mogelijk niveau uit te dragen. Behalve een zekere mate van eerlijkheid en intellectualiteit zijn daarbij ook empathie en stijl onontbeerlijk.

De parlementariërs Marijnissen (SP) en Rutte (VVD) lieten zich daar deze week echter weinig aan gelegen liggen.

Vanuit zijn bankje in de plenaire vergaderzaal nam de voormalige SP-leider dinsdag minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) op de korrel. Omdat de bewindsman geen antwoord gaf, riep Marijnissen hem toe dat hij een ‘flapdrol’ was. Toen Koenders later verhaal ging halen bij zijn bankje, verjoeg Marijnissen hem met een handgebaar. Naar eigen zeggen voegde hij Koenders ook nog toe: „Ga de Kamer uit. Je hebt hier niets te zoeken.” De psychologische verklaring is dat hier mannen botsten, die mannelijk willen overkomen. Marijnissen had gelijk. Een minister is in de Kamer te gast. Maar dat had hij ook stijlvol en zonder chagrijn kunnen formuleren. Zeker van Marijnissen, die als nestor nu genoeg tijd heeft, mag worden geëist dat hij het peil van de borreltafel overstijgt.

Hetzelfde geldt voor fractievoorzitter Rutte van de VVD. Dinsdag presenteerde hij een voorstel de vrijheid van meningsuiting wettelijk te verruimen. Enkele beperkingen op dat grondrecht (haat zaaien, discriminatie en groepsbelediging) moeten worden geschrapt. Of dat ook gold voor het ontkennen van de Holocaust, in 1995 door de Hoge Raad strafbaar gesteld? „Ik vind het een idioot standpunt”, maar het „zou moeten kunnen”, aldus Rutte.

Op zich is dat een consequente redenering. Maar om te voorkomen dat die consequentie naar de duivel leidt, is wel sensitiviteit nodig. Die gave miste Rutte. Toen hij woensdag door het RTL Journaal werd bevraagd over de kritiek, die binnen en buiten de VVD was gerezen, antwoordde hij: „U blijft maar komen met die Holocaust. Ik ben er klaar mee. Hou op met zoeken naar dat detail.” Rutte was geagiteerd en heeft mogelijk niet beseft dat het laatste woord ooit ook is gebruikt door de Fransman Le Pen, die de gaskamers „un point de détail” in de geschiedenis van de oorlog noemde.

Waarschijnlijk bedoelde Rutte dat zijn juridische initiatief een bredere draagwijdte heeft dan deze casus. Zo veelvuldig wordt de Shoah in Nederland niet ontkend, al zullen talloze burgers dat, ondanks de onloochenbare feiten, vaker doen dan ze laten blijken. Wellicht reageerde Rutte wat gepikeerd omdat hij het, anders dan Marijnissen, juist te druk heeft. Maar het is te hopen dat de VVD-leider zich wel rekenschap heeft gegeven van dit soort consequenties, toen hij zijn initiatief voorbereidde. Rutte is immers geen wereldvreemde ‘nerd’. Hij is een academisch gevormde historicus.

De ordinaire slordigheid van zowel Marijnissen als Rutte verdient hoe dan ook geen navolging in de Tweede Kamer.