De eerste flapdrol van Nederland

Is flapdrol een keurig Nederlands woord? Die vraag diende zich begin deze week aan in de Tweede Kamer.

‘Beleediging’ in 1913: man uit Sneek voegt agent ‘flapdrol’ toe. Illustratie Milo Milo

Voor wie de aanleiding heeft gemist: tijdens het vragenuurtje in de Kamer werd minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking onderbroken door een lid van de SP. Volgens Jan Marijnissen, voormalig fractievoorzitter van de SP, gedroeg Koenders zich hooghartig door die vraag te negeren. Marijnissen werd hierop zo kwaad dat hij Koenders tot driemaal toe uitmaakte voor flapdrol.

Koenders was hier woedend over, maar Agnes Kant, fractievoorzitter van de SP, vond dit overdreven. „Flapdrol”, zo verklaarde zij na afloop, „is een keurig Nederlands woord.” Dit speelde afgelopen dinsdag. Toeval wil dat een rechter zich diezelfde dag uitliet over het beledigen en bedreigen van overheidsdienaren. Een van de vragen die voorlagen, luidde: moet iemand die een politieagent uitscheldt of beledigt een dubbele straf krijgen? Nee, oordeelde de rechter, want omgaan met agressie hoort bij het politiewerk en dus mag je van agenten een hoger incasseringsvermogen verwachten.

Is flapdrol altijd al beschouwd als „een keurig Nederlands woord”? Niet echt. Flapdrol is een relatief jong woord. De oorspronkelijke betekenis is, aldus Van Dale: ‘drol van een niet-vaste substantie, als teken van ziekelijkheid’. Het woord is in 1901 voor het eerst aangetroffen, in het boek Levensgang van Is. Querido. Querido gebruikt het in een woordenwisseling tussen een werkman en een loopjongen, die zonder toestemming een wc heeft gebruikt en bevuild: „Mot je maar op de bril gaan sitte, al krijg je reetkramp, sekreet! Je weet toch da je op óns bestekamer nie mag, mieterkop! Ons sekreet da sluit je nou af, god-sal-me-lasere! Voorwat betale we anders, hè!? Wou jij jou rotsaakie op ons bril uitschijte! Je moer op ’n hort!... flapdrol!” Ziehier het literaire debuut van het woord flapdrol. Dat het voorheen niet als een keurig woord werd beschouwd, weten we uit verschillende bronnen. Zo is flapdrol opgenomen in een Bargoens woordenboekje uit 1906, De Boeventaal. Dit zakwoordenboekje werd indertijd uitgedeeld aan politieagenten om er de ‘geheimtaalwoorden’ in op te zoeken die werden gebruikt door criminelen. Flapdrol wordt in dit boekje overigens gedefinieerd als ‘meid, waar geen boon aan gelegen is’ oftewel: vrouw van niks – een betekenis die snel moet zijn verbreed tot mannen.

Dat flapdrol aanvankelijk inderdaad niet algemeen bekend was, weten we dankzij een rechtszaak uit 1913. Die had betrekking op een voorval op het station in Leeuwarden, waar op 20 juni 1913 de 29-jarige Pieter H., een veekoopman uit Sneek, zich misdroeg. H. was dronken en lastig toen een agent hem tot rust maande. Dat pikte de veekoopman niet. „Jij doet mij toch niks, flapdrol”, zei hij tegen de agent.

De Leeuwarder Courant schreef een maand later, toen de kwestie werd behandeld bij de rechtbank in Leeuwarden: „De agent, hoewel de beteekenis van dit woord niet kennende, begreep dat het een beleediging bedoelde uit te drukken en maakte daarom den koopman deswege proces-verbaal.”

Wie nu een agent zou uitmaken voor flapdrol, maakt goede kans hiermee weg te komen. Immers, als je dit als Kamerlid straffeloos tegen een minister mag zeggen, omdat het zo’n keurig woord is, waarom dan niet tegen een agent?

In 1913 dacht de officier van justitie daar anders over. Wegens het gebruik van het beledigende woord flapdrol eiste hij dat de Sneker veehandelaar H. werd veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf. Omdat H. niet kwam opdagen ter zitting verhoogde de rechter dit tot tien dagen.

    • Ewoud Sanders