Alleen ruïnes resten van de torenhoge ambitie

Shakespeare verdichtte de geschiedenis. Neem de Schotse koning Macbeth, die in het gelijknamige toneelstuk niet de held uit de kronieken werd, maar een weifelende streber. Om daarna zijn zegetocht door de Europese cultuur te beginnen.

Macbeth in de kunsten De populairste scènes uit Macbeth leverden vooral in de Romantiek imposante beeldende kunst op: aquarellen van William Blake, olieverfschilderijen van Henry Fuseli (in Zwitserland bekend als Heinrich Füssli), en het ultieme Macbeth-schilderij van John Martin (1820, zie hierboven). SHAKESPEARE: MACBETH. Canvas by John Martin, c1820-30. Ullstein bild

‘A desert place’. Aldus de eerste regieaanwijzing in de tekst van Macbeth, William Shakespeares tragedie over een overambitieuze Schotse veldheer. De tweede is ‘thunder and lightning’, waarna de drie heksen die Macbeths toekomst zullen bepalen ten tonele worden gevoerd. ‘Fair is foul and foul is fair,’ krijsen ze, nadat ze een afspraak hebben gemaakt om gezamenlijk Macbeth na een veldslag ‘op de hei’ te gaan begroeten; ‘hover through the fog and filthy air.’

Wat precies de locatie is van deze scène, Joost mag het weten. Genoeg ‘verlaten plaatsen’ in Schotland, geheimzinnige veengebieden waar de mist zo dik als haggis is – zelfs op veilige afstand van de highlands. Wie in de voetsporen wil treden van de historische figuur op wie Shakespeare zijn toneelstuk uit 1606 baseerde, moet goed zoeken. Want de uit het graafschap Moray afkomstige Macbeth leefde duizend jaar geleden, in een tijd dat kronieken nog niet al te secuur werden bijgehouden, stenen gebouwen schaars waren en het landschap een compleet ander aanzien had. Nog een geluk dat Macbeth koning van Schotland is geweest – van 1040 tot 1057 – anders zou er waarschijnlijk niets meer van hem resten.

Zonder Shakespeare zouden we zelfs zijn naam niet kennen. Het was de auteur van Hamlet en King Lear die Macbeth uit de Chronicles van de 16de-eeuwse geschiedschrijver Raphael Holinshed viste en die hem vervolgens een complete make-over gaf. De succesvolle veldheer (en later capabele koning) uit de bronnen werd een gewetenloze streber die zich door drie heksen en een wrede echtgenote het hoofd op hol laat brengen. Hij vermoordt achtereenvolgens de koning en twee van diens dienaren, zijn vertrouweling Banquo en een handvol anderen, om ten slotte na een korte heerschappij bij een opstand tegen zijn regime gedood te worden.

In werkelijkheid was Macbeth niet meedogenlozer dan de edelen met wie hij verkeerde, en was zijn troonsbestijging minder onrechtmatig dan Shakespeare deed voorkomen. In Macbeth is het ‘vaulting ambition’ die de hoofdpersoon drijft, in het jaar 1040 was het eerder gekwetste trots omdat hij niet de promotie kreeg waarop hij recht had. En terwijl Macbeth zich in het toneelstuk door middel van een lafhartige dolkstoot van Duncan ontdoet (in zijn eigen kasteel nog wel), liet de historische koning Duncan I het leven in een strafexpeditie tegen het graafschap Moray. Shakespeare was geen historicus, hij herschiep de geschiedenis zoals hem dat uitkwam, waarbij fair en foul maar al te vaak verwisseld werden. Zo maakte hij van de jonge koning Duncan een oude, wijze man, en ging hij voorbij aan de tien jaar dat Macbeth als koning een vredig bewind voerde.

‘‘Macbeth moet wel een goede koning zijn geweest,” zegt de beheerster van het museum in Dingwall, een klein stadje – twintig mijl ten noordwesten van Loch Ness – waar Macbeth volgens sommige historici geboren is. „De oude Keltische kronieken vertellen dat hij in zijn tijd als koning op pelgrimage naar Rome ging, en dat kan alleen maar als je je land een beetje op orde hebt. Er is ook een beroemde zin uit de Schotse geschiedenis van de 16de-eeuwer George Buchanan waarin staat dat Macbeth een man van penetrating genius and high spirit was. Hij had volgens de historicus maar één fout, en dat was zijn unbounded ambition. Maar die deed pas van zich spreken toen hij Duncan als koning van Schotland opvolgde; Moray heeft daar geen last van gehad.”

Hoe enthousiast ze in het vriendelijke Dingwall Museum (streekhistorie, oude klederdrachten, brandweergeschiedenis) ook over Macbeth zijn, hij schittert verder door afwezigheid. Uit het vorstelijke kasteel dat sinds de tijden van de Vikingen op een steenworp afstand heeft gestaan – en dat misschien ook de residentie was van Macbeth als graaf van Moray – is alleen een eikenhouten paneel met bloemversiering geëxposeerd. ‘Het enig bekende overblijfsel van het interieur van het in 1818 gesloopte kasteel van Dingwall’ staat er op een klein bordje bij. Maar er is nog één onroerende rest, vertelt de museumsuppoost; tenminste, als je de sporen van de oude slotgracht niet meetelt. In Castle Street vind je een vervallen doocot, een duiventil, die wel eens een van de hoektorens van het oude kasteel kan zijn geweest. En wist ik dat Macbeths vrouw Gruoch, Lady Macbeth dus, waarschijnlijk veel langer in dat kasteel heeft gewoond, omdat haar eerste echtgenoot graaf van Moray was vóór hij samen met 49 anderen door de Schotse koning, of misschien zelfs wel door zijn neef Macbeth, werd verbrand?

Als ik even later door de stromende regen en de armoedige hoofdstraat naar de doocot loop, heb ik het idee dat ik bij het verkeerde toneelstuk van Shakespeare ben uitgekomen: een nieuwe heerser die net zijn voorganger heeft vermoord en onmiddellijk diens vrouw het hof maakt, is dat niet het begin van Richard III? Hoe rechtschapen was die Macbeth eigenlijk als hij dit soort dingen deed? En wat te denken van Gruoch, die binnen een mum van tijd van de ene op de andere man overstapte? Werd ze daartoe gedwongen of was het haar tomeloze ambitie? Die laatste interpretatie ligt in elk geval aan de basis van het gitzwarte beeld dat er van Lady Macbeth geschetst wordt door Shakespeare: een manwijf dat al in een van haar eerste monologen de geesten van de moordzucht aanroept met een welgemeend ‘unsex me here, / and fill me from the crown to the toe top-full / of direst cruelty’; een loeder dat zo spreekwoordelijk werd dat de Russische schrijver Nikolaj Leskov zijn beroemde novelle over een overspelige moordenares (1846) de titel Lady Macbeth uit het district Mtsensk meegaf.

Helaas: alle opwindende gedachten en zwart-romantische scenario’s worden in de kiem gesmoord bij het zien van het kleine ronde torentje in de moderne woonwijk Castle Street. Het laatst overgebleven bewijs voor het bestaan van het roemruchte middeleeuwse kasteel van Dingwall ziet er uit als een 19de-eeuwse folly. En dat blijkt het ook te zijn. Alleen de grote bruingrijze stenen, zo lees ik later in een internetrondleiding, zijn van het originele kasteel afkomstig.

‘Dit slot ligt in een heerlijk oord. De frisse / en zuivere lucht maakt het voor onze zinnen / een lust om hier te zijn.’

Aldus koning Duncan in Act I, Scene 6 over het kasteel van Macbeth waar hij te gast is – en vermoord zal worden. Shakespeare situeert het in Inverness, de tegenwoordig middelgrote havenstad aan de Moray Firth, vijftien mijl ten oosten van Dingwall. Daar, waar Ness en Firth tezamen stromen, staat een slot van eeuwen her… dat jammer genoeg ook niet verder blijkt terug te gaan dan de 19de eeuw. Vóór die tijd stonden er twee andere kastelen, maar er is niets gevonden dat met Macbeth verbonden kan worden. Misschien, zo suggereert het toeristenbureau, kan ik beter naar het nabijgelegen kasteel van Cawdor. Per slot van rekening werd Macbeth de nieuwe thane, leenheer, van Cawdor nadat hij de opstand van de oude thane had neergeslagen; precies zoals de drie heksen uit Macbeth al hadden voorspeld in het eerste bedrijf:

‘All hail, Macbeth! Hail to thee, thane of Glamis!

All hail, Macbeth! Hail to thee, thane of Cawdor!

All hail, Macbeth, that shalt be king hereafter!’

Cawdor Castle valt inderdaad niet tegen, zeker nu de thunder and lightning van eerder op de dag door een fris zonnetje is afgelost. Het gotisch uitziende kasteel, voorzien van pittoreske torentjes en borstweringen, ligt op een uitgestrekt landgoed, tussen een schitterende rozentuin en een Franse tuin met doolhof. Delen ervan worden nog steeds bewoond, maar de strenge hoge donjon in het midden kan je een echt Macbeth-gevoel geven. Neem nu de gewelfde hal op de begane grond, waar in een van de nissen zelfs een geheime kerker is. Je kunt je goed voorstellen dat Lady Macbeth hier rondzwierf, tijdens haar door wroeging gestuurde slaapwandelingen – niet alleen een hoogtepunt in Shakespeares stuk maar ook in de opera Macbeth (1847) van Verdi. Alleen moet je het haast versteende boomstammetje in het midden van de ruimte even wegdenken; daartegen had de Lady zich snel wakker gebotst. Het stammetje is ooit met behulp van de C14-methode gedateerd in het jaar 1372, wat de gedachte versterkt dat het oudste gedeelte van Cawdor Castle bijna zeseneenhalve eeuw is. Heel oud, maar dus niet oud genoeg voor Macbeth, die nog weer drie eeuwen eerder leefde.

Tussen de vele prachtige schilderijen die werden gemaakt naar aanleiding van ‘the Scottish play’, zoals bijgelovige Britse toneelspelers Shakespeares stuk op straffe van groot ongeluk noemen – tussen al die verbeeldingen van heksen, moordenaars en veldslagen, is er één dat de show steelt: Macbeth (1820) van de Noord-Engelse romanticus John Martin. Het hangt in de National Galleries in Edinburgh en meet 86 bij 65 centimeter. Op het eerste gezicht zie je twee schotsgerokte en wild gebarende figuurtjes in een woest en ledig landschap staan. Met wat beter kijken vallen aan de linkerkant, te midden van nevelflarden, de vage omtrekken van drie vrouwspersonen op. Maar het indrukwekkendst is de omgeving. Macbeth en Banquo, de mannen in het midden van de voorstelling, staan met hun rug naar een loch, dat wordt omsingeld door grillig gevormde bergen. Boven de woestenij breekt het donkergrijze zwerk open, met als gevolg spectaculaire lichteffecten. De bergen kleuren bloedrood, je ziet de bliksem, je kunt de donder bijna horen.

Martins landschap is een gedroomd Schotland, misschien het Schotland uit een romantische nachtmerrie – de perfecte habitat van Macbeth en zijn Lady. Een groot contrast met de schilderachtigheid van Cawdor, met zijn bloemen en zijn vriendelijke grasvelden; en ook met het gigantische kasteel van Glamis, dat meer naar het zuiden ligt en dat door zijn naam en zijn status een verplichte halte is op het Macbeth trail. Ten onrechte trouwens, want Shakespeare mag zijn held dan thane van Glamis hebben gemaakt, in Macbeths tijd bestond die titel nog niet eens. En hoewel er op de plaats van Glamis Castle in de 11de eeuw een jachthut van een adellijke familie heeft gestaan, is de oudste vleugel van het kasteel pas rond 1400 gebouwd.

Toch kan ik niet zomaar voorbijlopen aan de twee vertrekken die zijn vernoemd naar tijdgenoten van Macbeth: King Malcolm’s Room en Duncan’s Hall. Het eerste heeft 16de-eeuws stucwerk en een 18de-eeuwse aankleding, maar zou gebouwd zijn op de plaats waar koning Malcolm II, de grootvader van Macbeth én Duncan, in 1034 zijn laatste adem uitblies. Het tweede is een indrukwekkend donker keldergewelf dat een mooie locatie zou zijn geweest in de spookachtig-bloederige verfilming van Macbeth (1971) door Roman Polanski. Maar met de dood van koning Duncan I heeft het helemaal niets te maken, aangezien die het leven liet in de slag bij Elgin, op weg naar het graafschap Moray om zijn neef Macbeth mores te leren.

Het wordt tijd voor écht contact met de historische Macbeth, en gelukkig ben ik daarvoor niet al te ver uit de buurt. Op iets meer dan een uur gaans in noordelijke richting ligt namelijk het slagveld van Lumphanan, waar koning Macbeth volgens de kronieken op 15 augustus 1057 zijn last stand beleefde. Drie jaar eerder had hij al behoorlijk klop gehad van een leger van Engelse bemoeials die Schotland waren binnengevallen; nu werd hij definitief verslagen – en gedood – door de latere koning Malcolm III. Macbeths lichaam, zo vermeldt de historie, werd aanvankelijk op een heuvel boven Lumphanan begraven maar al snel overgebracht naar het westelijke eiland Iona, waar wel meer oude Schotse koningen in een oude abdij liggen. Voor relieken hoef je dus niet naar Lumphanan, maar wie goed zoekt kan er nog wel de steen vinden waarop Macbeth door zijn rivaal werd onthoofd.

Het dorpje Lumphanan stelt weinig voor – een kerk, een paar boerderijen, wat nieuwbouwhuizen, en op een kruising van wegen een geblindeerde kroeg met de naam The Macbeth Arms. Aan toerisme doen ze hier verder niet, hoewel het nabijgelegen postkantoortje-annex-winkeltje wel het in de buurt gebrouwen Macbeth Beer verkoopt. ,,Er komt zelden volk voor de mens Macbeth,” zegt de soms in oud-Schots vervallende kruidenier die mij is aangewezen als de grootste kenner van de dorpsgeschiedenis. ,,Macbeth’s Cairn, de steenhoop waaronder hij begraven werd, staat op privéland, maar ik kan hem wel op de kaart aanwijzen, en dan moet u maar even over de hekken heen.”

Een kwartier later dool ik over de zompige weilanden boven Lumphanan. Her en der zie ik zwerfkeiformaties die er vagelijk prehistorisch uitzien, maar van geen een valt met zekerheid te stellen dat het de plaats is waar Macbeth heeft gelegen. Dus ga ik terug naar het dorp, op zoek naar Macbeth’s Stone, de rots waarop ’s konings hoofd van zijn romp werd gescheiden. En dit keer heb ik meer geluk. Toegegeven: het uit een weiland stekende stuk rots maakt een weinig spectaculaire indruk, maar het terrein hier is volgens de stafkaart het centrum van de slachtpartij in 1057.

Het historisch belang van dit lieu de mémoire wordt bovendien nog versterkt doordat op 300 meter afstand een peel ring is gereconstrueerd: een aarden vestingwerk uit de 12de eeuw dat is gebouwd door de directe opvolger van Macolm III.

In Shakespeares tragedie wordt Macbeth gedood door Macduff, een Schotse edelman die ‘from his mother’s womb untimely ripped’ is, oftewel losgesneden uit de buik van zijn in het kraambed gestorven moeder. Door iemand anders hád Macbeth ook niet gedood kunnen worden, want was hem niet door een geest in het huis van de drie heksen verteld dat hij het nooit zou afleggen tegen een man ‘of woman born’? Pech voor Macbeth, maar geesten beschouwen dode moeders kennelijk niet als vrouwen. En zo wordt de onfortuinlijke koning voor de tweede keer in korte tijd op het verkeerde been gezet door een voorspelling. Want een tweede geest had hem in het heksenhuis nog iets anders verzekerd: ‘Niet eerder gaat Macbeth van de aarde heen, / voor Birnambos hem hoog op Dunsinane / ontmoeten zal.’ En wat is er gebeurd? Een paar uur voordat Macduff kwam binnenstormen is het leger van Malcolm vanuit Birnam Wood opgemarcheerd naar Macbeths kasteel op Dunsinane; met als camouflage de takken uit het beroemde eikenbos.

Shakespeare verdichtte de geschiedenis – in dubbel opzicht. De inname van Dunsinane met behulp van de klassieke krijgslist was in 1054, en Macbeth werd pas drie jaar later definitief verslagen en onthoofd. Van geografie had de Bard ook geen kaas gegeten. Dunsinane Hill bestaat, er zijn daar zelfs resten van een middeleeuws fort gevonden, maar hij is meer dan twintig kilometer verwijderd van Birnam Wood. En het is in de omgeving van Birnam dat naar verluidt de laatste getuige van de opmars van Malcolm te vinden is: een zomereik die, met een leeftijd van ten minste duizend jaar, ouder is dan de bijbelse Methusalem.

Mijn laatste bezoek geldt dus Birnam, een piepklein plaatsje aan de rivier de Tay. Bij het binnenrijden, na het passeren van een oude stenen boogbrug, zien we dat het lintdorp zijn bekendheid vooral ontleent aan een ander beroemd personage uit de wereldliteratuur: Pieter Konijn. Hier, aan de oevers van de Tay, bracht tekenares-schrijfster Beatrix Potter (1866-1943) haar zomervakanties door; hier speelde zij als kind onder de eiken en schreef zij als volwassene een inmiddels wereldberoemde geïllustreerde brief met ‘The Tale of Peter Rabbit’. Met als gevolg dat Potter het in Birnam wint van Shakespeare. De route naar het Beatrix Potter Centre and Garden (met monsterlijke bronzen beeldjes van Pieter Konijn en zijn collega’s) staat duidelijker aangegeven dan Birnam Wood.

Een minuut of tien loop ik door een parkachtig landschap waar op de grasvelden onder de bomen konijntjes dartelen – ongetwijfeld uitgezet door de Potter Society. Maar dan kom ik in een wat rommeliger gebied, waar een paar reusachtige eiken staan, met veel dode takken. De grootste wordt gestut door twee flinke krukken; hij is grotendeels hol en bedekt met judasoren. Dicht in de buurt staat een bord met de tekst: ‘Deze vermoeide oude boom is de laatste overlever van Birnam Wood, het eikenbos dat deze contreien 1000 jaar geleden bedekte.’ Macbeth wordt niet genoemd, maar ik weet beter. Vermoeid of niet, dit is een moloch die je gemakkelijk kan doen geloven dat 11de-eeuwse soldaten zijn loof als camouflage gebruikten. Het is het enige levende wezen dat koning Mac Bethad nog gekend heeft, de belichaming van de beroemde woorden die Macbeth in het laatste bedrijf van Shakespeares stuk uitspreekt:

Leven is maar een wandelende schaduw,

[...] een verhaal als door

een gek verteld, vol luid en woest spektakel,

dat niets betekent.

Birnam Oak is een boom waarmee niet te spotten valt. Aan de boze tongen die fluisteren dat hij misschien ‘maar’ 700 jaar oud is, geef ik natuurlijk geen gehoor. Als Macbeth je íets leert, dan is het dat je beter nooit naar boze tongen kunt luisteren.

De vertalingen in dit artikel zijn van H.J. de Roy van Zuydewijn (William Shakespeare: Richard III / Macbeth (uitgegeven door De Arbeiderspers, 2004).Dit is het vierde deel van een serie over historische figuren die door de literatuur beroemd werden. Op de laatste vrijdag van juni: Don Juan.

    • Pieter Steinz