Scholstapelaars

Driss Tafersiti kwam als jonge man naar Nederland als Marokkaans gastarbeider, via Frankrijk. Hij bleef. In een wekelijks feuilleton schrijft hij over zijn belevenissen.

Mijn neef Mustapha en ik hadden in IJmuiden een driekamerwoning helemaal voor ons zelf. Het was ideaal, ze lag op tien minuten lopen van de visafslag waar we samen werkten.

Op de visafslag werkten we als ‘scholstapelaars’. Een mooi woord voor simpel werk. Wat wij scholstapelaars deden, was de visvangst uit schepen legen. We stonden om vier uur ’s ochtends op, ontbeten en trokken onze werkkleding aan, die bestond uit drie lagen eigen kleding met daarboven een werkoveral van de baas. Dat moest wel, want het scheepsruim waar de vis in lag, was een grote vrieskist. Het kon er flink vriezen. De bodem van het schip lag vol met ijs.

In de kantine wachtten we met andere scholstapelaars tot de schepen de haven binnenvoeren. De Turkse scholstapelaars zaten in de ene hoek, de Marokkaanse scholstapelaars in de andere hoek, en de Nederlanders hadden hun eigen plekje. De scheiding van nationaliteiten ging tijdens het werk verder. De Nederlanders bedienden de kranen en reden op de vorkheftrucks. Wij buitenlanders gingen het ruim in. Daar stapelden we bakken met vis op houten pallets. Die werden omhoog gehesen en met de vorkheftrucks naar de vishallen gereden.

In het scheepsruim vormden we twee groepen, de Turken en de Marokkanen. Ieder namen we een helft van het ruim voor onze rekening. Van boven schreeuwden de Nederlanders bevelen naar ons toe, zowel in het Turks als in het Marokkaans. In het Turks schreeuwden ze „tsaboch!” (snel!) en in het Marokkaans „yallah!” (snel!)

Volgens ons contract moesten we acht uur per dag werken, maar iedereen draaide overuren. Als er niet genoeg werk was om overuren te draaien, dan begon de temperatuur te stijgen. De chef koos wie er meer uren mocht werken. Altijd had de ene groep het gevoel dat de andere groep werd voorgetrokken. Vooral wij Marokkanen hadden het gevoel dat de baas ons elke keer oversloeg.

In de derde week dat Mustapha en ik op de visafslag werkten leidde het overwerkprobleem tot een gevecht. De chef riep van boven dat de Turken mochten blijven werken. Wij pikten dat niet, want zij mochten de dag daarvoor ook al. Mustapha schold een van de Turken uit voor ezel. Daarop schreeuwde de Turk iets terug. Op een gegeven moment waren we over en weer naar elkaar aan het schreeuwen. Zij in het Turks en wij in het Marokkaans. Toen pakte een van de Marokkaanse collega’s een vis uit de bak en sloeg er een Turk mee om de oren. Daarna vlogen de vissen door de lucht. Klappen werden uitgedeeld en ontvangen. De vissen kwamen aan als knuppels.

De Nederlanders keken toe totdat we uitgevochten waren. Die dag mocht niemand overwerken.

Er werd een nieuw overwerksysteem ingevoerd. Als er overwerk was, werden we om en om geselecteerd. Een perfect systeem, want sinds die dag werd er niet meer geklaagd. De scheiding van nationaliteiten bleef bestaan, maar gaf geen problemen meer. Wat dat betreft leken we op de vissen in de vishal, ieder lag harmonieus in een bak bij zijn eigen soort.

Driss Tafersiti