Pyongyang wil erkenning

Critici van Noord-Korea zien in de kernproef vooral boze opzet. Zij zien over het hoofd dat het regime sterk naar binnen is gericht. Het wil daarnaast erkenning, meent Koen De Ceuster.

Noord-Korea heeft voor de tweede keer een kernproef gehouden. Ook deze keer werd de proef voorafgegaan door de lancering van een langeafstandsraket. En ook nu reppen opinie- en beleidsmakers zich om Pyongyang te veroordelen.

Die veroordeling is volledig terecht. Noord-Korea heeft de internationale gemeenschap geschoffeerd, met name door VN-resolutie 1718 met voeten te treden. Maar bij alle commotie die de Noord-Koreaanse kernproef teweegbrengt, valt ook nu weer de kortzichtigheid van reacties op. Afkeer van het totalitaire regime in Pyongyang vertroebelt daarbij de blik op wat in essentie een probleem van nucleaire proliferatie is. Het is juist dit perspectief dat China’s houding kadert en stuurt.

Uiteindelijk moet de fundamentele vraag voor de internationale gemeenschap zijn hoe het gevaar van nucleaire proliferatie door Noord-Korea kan worden ingedamd. Daarbij lijkt het vanzelfsprekend dat alleen een oplossing die uitgaat van medewerking door Pyongyang op termijn werkbaar is. Geleid door crisismomenten vergeten we al te gemakkelijk dat zulke medewerking mogelijk is.

Het meest recente voorbeeld hiervan is het ondertussen alweer ter ziele gegane Zeslandenoverleg (Noord-Korea, Zuid-Korea, Rusland, China, Japan en de VS). Het falen van dit overleg in december 2008 wordt steevast in de schoenen van Pyongyang geschoven, geleid door de overtuiging dat Noord-Korea enkel ageert en nooit reageert. Maar Noord-Korea ziet zich bij dergelijke onderhandelingen niet als beschuldigde, maar als een gelijke partner. Het verwacht in ruil voor de eigen concessies toezeggingen van de andere gesprekspartners. Vertrouwen is daarbij een sleutelwoord, terug te vinden in de principeverklaring van september 2005, en geconcretiseerd in het stappenplan van februari 2007.

Waarnemers staren zich vaak blind op de materiële aspecten van die toezeggingen, zoals de graanleveranties. Sommigen zien het hele nucleaire programma zelfs als een gewiekste manier om de internationale gemeenschap af te persen. Maar dit gaat voorbij aan een veel belangrijker motief: normalisering van de betrekkingen met de Verenigde Staten en daardoor het veiligstellen van het overleven van Noord-Korea op de lange termijn.

Als men aanvaardt dat Noord-Korea wordt geïntimideerd door Amerikaanse plannen die zelfs voorzien in de preëmptieve inzet van nucleaire wapens, dan is het niet verwonderlijk dat het regime niet overloopt van vertrouwen in de VS. Omgekeerd geldt hetzelfde: binnen het Amerikaanse politieke establishment overheerst de overtuiging dat Noord-Korea fundamenteel onbetrouwbaar is. Er bestaat dus koudwatervrees aan beide kanten, waarbij duidelijk is dat Noord-Korea de partij is die het meest te verliezen heeft.

De bedreiging van de nationale soevereiniteit is het argument dat steevast aangehaald wordt om de inbreuken op internationale verdragen en VN-resoluties goed te praten. Hier ligt op termijn ook de oplossing voor het probleem. Bezorg Noord-Korea zulke sterke veiligheidswaarborgen dat het dat argument niet meer kan inroepen.

Het vertrouwen is ook zoekgeraakt tussen Noord- en Zuid-Korea. Na tien jaar van toenadering heeft de Zuid-Koreaanse president Lee Myung-bak het roer omgegooid. Hij heeft in weerwil van alle inter-Koreaanse akkoorden de relaties tussen beide Korea’s ondergeschikt gemaakt aan de oplossing van het nucleaire vraagstuk.

Noord-Korea heeft als antwoord niet alleen alle inter-Koreaanse akkoorden opgezegd, maar dreigt bovendien met sluiting van het Kaesong Industriële Complex. Deze Zuid-Koreaanse economische enclave in Noord-Korea mag dan economisch interessant zijn voor Pyongyang, politiek is het thans voor Noord-Korea niet meer verteerbaar.

Deze ontwikkeling heeft op haar beurt te maken met een verstrakking van het beleid in Noord-Korea zelf. Volgend op Kim Jong- ils herseninfarct in augustus 2008 is een ideologische verharding doorgevoerd. Los van de opvolgingskwestie is het duidelijk dat in Noord-Korea de hardliners de toon zetten. Ideologische weerbaarheid is belangrijker dan economisch gewin.

Deze verstrakking heeft ook internationale repercussies. Door het haperende Zeslandenoverleg, het stokken van de inter-Koreaanse betrekkingen en de politieke onzekerheid in de top van het systeem keert Noord-Korea zich af van de buitenwereld en gaat het stug zijn eigen weg. Internationaal overleg is nu even niet aan de orde. De ogen en geesten zijn nu gericht op de viering van de honderdste verjaardag van de geboorte van Kim Il-sung in 2012. De (mislukte) lancering van een satelliet, de lancering van een langeafstandsraket en de kernproef moeten vooral op het binnenlands toneel indruk maken. Ze worden vertaald met de slogan ‘de poort te openen naar een machtig en welvarend land’.

Meer dan ooit speelt Pyongyang de kaart van het eigenbelang en maakt daaraan zijn internationale verplichtingen ondergeschikt. Dit is de uitdaging waarop de internationale gemeenschap een antwoord moet vinden.

Dr. Koen De Ceuster is docent moderne Koreaanse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.