Het Paleis wordt blond

In augustus moet de gevelreiniging van het Paleis op de Dam gaan beginnen.

De schoonmaaktechniek krijgt harde kritiek, net als het plan voor een licht kleurtje.

Het beeld van Atlas bovenop het Paleis op de Dam staat al in de steigers. (Foto Willem Sluyterman van Loo) Het beeld van Atlas bovenop het Paleis op de Dam staat al in de steigers. Foto Willem Sluyterman van Loo Amsterdam, 27 mei 2009. Het Paleis op de Dam. Foto: Willem Sluyterman van Loo Sluyterman van Loo, Willem

Smoezelig, donker, verweerd. Zo staat het Paleis op de Dam erbij, ruim drie eeuwen nadat het werd gebouwd als stadhuis van Amsterdam. In de zeventiende eeuw had het nog de kleur van blond haar. Inmiddels heeft stadsvuil zich opgehoopt in de groeven van het Bentheimer en Obernkirchener zandsteen.

De gevel van het gebouw – dat geldt als het hoogtepunt van de Nederlandse classicistische architectuur – wacht een grootscheepse renovatie. De Rijksgebouwendienst wil de stenen zandstralen, laseren, deels vervangen en bijkleuren, om „de bonte vlekkerigheid te herstellen” en zo „de architectonische uitstraling weer op peil te brengen”. Kosten: ruim 40 miljoen euro. De wereldbol torsende Atlas staat reeds in de steigers.

Kunsthistorici zien hier echter „absoluut geen heil” in, zegt Gerrit Vermeer, docent architectuurgeschiedenis en monumentenzorg aan de Universiteit van Amsterdam. „Wij vinden de ingreep nutteloos en agressief.” Gevelreiniging is onomkeerbaar en schadelijk, zegt Vermeer. „Je slijpt een laag van het gebouw af, en met welk doel? De kleurverschillen hebben er altijd ingezeten. Dat is juist het aardige: natuursteen leeft.”

Critici laken de verfplannen omdat niet technische overwegingen de doorslag geven, maar de „verwaarloosde” indruk die het gebouw zou maken. Dat blijkt uit het essay dat de Rijksgebouwendienst, als verantwoording bij de vergunningsaanvraag, aan de gemeente Amsterdam aanbood.

Er zijn ook geen historische argumenten om een verflaag aan te brengen, schreef Pieter Vlaardingerbroek, medewerker van het Amsterdamse Bureau Monumenten en Archeologie, op persoonlijke titel in het maandblad Amstelodamum. De natuurstenen gevels van het Paleis zijn door de architect Jacob van Campen bij de bouw (tussen 1648 en 1665) niet geverfd, hoewel een verflaag in die tijd eerder regel was dan uitzondering. Dat was een bewuste keuze van Van Campen, meent Vlaardingerbroek. De steen die Van Campen gebruikte zou van zo’n goede kwaliteit zijn', dat de architect een verflaag niet nodig achtte.

Marten Jan Bok, hoofddocent kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, waarschuwt in hetzelfde tijdschrift voor de gevolgen van de gevelrenovatie: „De behandeling brengt zeker risico’s met zich mee. Zo is gebleken dat laseren bij enkele gebouwen in Rotterdam en Den Haag leidde tot ongewenste kleurverschillen. ” Een ander probleem zou zijn dat geverfde gebouwen later last kregen van algen- en mosgroei.

Renovatie, zegt Bok, gaat niet om het terugbrengen in oorspronkelijke staat, maar om behoud. „Zuiver cosmetische ingrepen, omdat wij nu toevallig strak en wit mooi vinden, zijn ongewenst. Dit gebouw is voor Nederland net zo belangrijk als de Taj Mahal voor India. Het is onze taak het zo veel mogelijk in authentieke staat te behouden.”

Monumentenvereniging Bond Heemschut is ook tegen de voorgenomen reiniging en noemt die een ‘modegril’. De afgelopen twee eeuwen werd natuursteen juist gewaardeerd, zegt secretaris David Mulder. „Bij eerdere ingrijpende renovaties bleven de gevels onaangeroerd. Precies volgens de aloude en ongeschreven regel bij renovatie, dat aanpassing niet onomkeerbaar mag zijn.”

Deze kritiek is niet nieuw. Drie jaar geleden gaf het Amsterdamse stadsdeel Centrum al een vergunning af voor de sloop van de laatste oorspronkelijke zeventiende-eeuwse trap in het Paleis, die plaats moest maken voor een dienstlift. Dat gebeurde tegen het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Door de sloop van de trap zou de essentie van de constructie van het „allerbelangrijkste” en „meest monumentale” gebouw van Nederland verloren gaan, waarschuwde Monumentenzorg.

Raadsleden in het stadsdeel centrum van Amsterdam probeerden de sloop van de monumentale trap in het Paleis destijds te voorkomen, onder meer met een smeekschrift aan de koningin. Onder druk van de raad en de publieke opinie kwam het dagelijks bestuur uiteindelijk tot een politiek compromis: de trap werd gedemonteerd en opgeslagen.

Waarom de Rijksgebouwendienst het gebouw nu wil blonderen, blijft ongewis. Vermeer: „In de monumentenzorg is het schraalheid troef. Er zijn zat gebouwen die op instorten staan en daar is nooit geld voor. Waarom voor het Paleis zonder enige noodzaak klauwen met geld worden uitgetrokken, begrijpt niemand. Het moet de wens van de koningin zijn.”

In de kritiek op de huidige gang van zaken klinkt de Amsterdamse bitterheid door die Bram Kempers, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, vorig jaar in deze krant verwoordde. „Het gebouw is ontworpen, gedecoreerd en gebruikt als stadhuis. Als het achtste wereldwonder ging het de geschiedenis in, maar het gebouw raakte zijn openbare karakter kwijt.”

Kempers: „Af en toe dient het gebouw als decor voor een feest. Meestal blijft het gesloten. Wat het stralend middelpunt van Amsterdam was, een voor burgers toegankelijk werkgebouw, is veranderd in een ontoegankelijke kolos op het belangrijkste plein van de hoofdstad. Dit doet geen recht aan onze geschiedenis.”

Lees het commentaar ‘Niet alleen balkonscènes’ op pagina 19

    • Leonie van Nierop