Hé zwoegers, waar is onze brommer?

Hangjongeren wegsturen in sommige Amsterdamse wijken kan niet. Ze wonen er immers. Ga met ze in gesprek, wordt de wijkagenten nu geleerd. „Ken je de nieuwe Puch Zip?”

Een dag mee met de wijkregiseur Said in Amsterdam Slotermeer. Foto: Peter de Krom

In de Amsterdamse wijken Geuzenveld en Slotermeer is van elke drie inwoners er eentje jonger dan 14 jaar. Als de zon schijnt, hangen vooral de jongens op straat. Politiechef Rose Speelman van het wijkteam vond het daarom niet meer dan logisch dat de politie er leert contact te maken met die jongens, zoals de verkeerspolitie leert hoe een auto in elkaar zit. Dat ging vorige week zo:

„Hé zwoegers, waar is onze brommer?”

„Verkocht.”

„Wat heb je ervoor gekregen?”

„1.200 euro.”

„Hoop geld. Heb je de troep opgeruimd? Wacht, ik kom kijken. Als het er nog ligt, krijg je een bekeuring.”

Wijkagent Saïd el Abbouti (36) stapt uit en loopt om de politiebus heen. Hij woonde in Geuzenveld lang voor hij er agent werd. De jongens noemen hem Saïd, of de dikke Marokkaan – er is ook een dunne in het wijkteam. Jongeren begroet hij in het Nederlands, ouderen in het Arabisch. Hij roemt de jongen met de gouden tand die de troep opruimde.

Danny Houkes (36, wijkagent jeugd in de Utrechtse wijk Zuilen) komt erbij staan. Hij wilde graag zien hoe El Abbouti en zijn collega’s het doen, contact maken met de jeugd. Vorige week liep hij ook al eens mee. Hij zegt tegen de jongen met de gouden tand: „Ken je de nieuwe Puch Zip? Dertienhonderd euro, hè?”

„Dertienvijfentwintig”, weet de jongen met de gouden tand.

Er komen meer jongens bij. „Wat hadden we afgesproken?”, zegt El Abbouti tegen een van hen. „Als je erbij komt staan, krijg ik een hand van je.”

In de binnenstad ja, daar kun je jongeren wegsturen als ze lawaai maken of anderen lastigvallen op straat, zegt wijkteamchef Rose Speelman. Maar in haar buurt kan dat niet. Deze jongens wonen er. Ze gaan niet weg. „Dat geeft spanning: wie gaat over de straat?”

Er waren agenten die alle jongeren bekeurden die een middelvinger opstaken. Anderen begonnen er een praatje om, of ze reden een andere kant op. Speelman: „Niets is zo makkelijk als in de auto voorbijrijden en elkaar boos aankijken.”

De bekeurende agenten vingen de klappen op. De wijkteamleiding bepaalde daarom vorig jaar dat agenten voortaan allemaal op eenzelfde manier met jeugd moesten omgaan. Maak contact in vredestijd, zodat je in oorlogstijd weet wie je vijanden zijn, dat was de belangrijkste. Agenten kunnen zo bij rellen de goede hangjongens van de slechte onderscheiden. Andersom komt ook voor: dat jongeren bij rellen zo agenten in bescherming nemen, zegt Speelman: „Die moet je met rust laten, zeggen ze dan. Dat is een goeie.” Ook kregen de agenten een training, in ‘multicultureel vakmanschap’.

Nu kijken collega’s als Danny Houkes mee hoe de agenten het doen op straat. Hij is een van de zeventig leden van de expertgroep van de politie (zie kader). Korpsen kunnen een beroep op hen doen als ze problemen hebben met allochtonen, of als ze gewoon willen weten hoe ze de jongens het best kunnen benaderen. Er wonen veel grote Marokkaanse gezinnen in de wijken. Acht van de tien jongeren is van niet-westerse afkomst.

Op 11 juni legt het wijkteam vast hoe ze voortaan met de jongeren omgaan. Andere wijkteams in Amsterdam-West volgen. Mogelijk komt er één bejegeningsprofiel voor jongeren in heel Amsterdam: groet de politie jeugd op straat? Alle jeugd? En hoe dan?

Danny Houkes: „Ik geef ze altijd allemaal een hand. Hoe is het? Wat ga je doen vandaag? Ze zeggen altijd wel wat.”

Saïd el Abbouti: „Maar je moet niet hun taal spreken, je moet niet ‘swa’ zeggen. Je zegt: ‘hé zwoegers’, of ‘dag heren’.”

Houkes: „Ik schrijf alles op wat ik hoor. Politiemensen houden te veel informatie in hun hoofd.” Als El Abbouti er een dag niet is, moet een ander het kunnen overnemen.

Later op de avond kijkt Houkes met wijkagent Mohsine el Mazouni (42) mee: evengoed vriendelijk, maar minder joviaal en strenger dan zijn collega.

Op de drempel van een portiekwoning zit een jongen van wie hij weet dat die met twee buurtvrienden toeristen heeft beroofd. Hij ziet er een oudere jongen naar binnenglippen.

„Waarom loop je naar binnen?”

„Gewoon. Niet omdat ik jou zag.”

Houkes: „Hij moest zijn pistool binnen leggen.”

Op het gezicht van de jongste verschijnt een kleine glimlach.

El Mazouni tegen de jongste: „Hoe laat ben je ’s avonds thuis?”

„Negen uur.”

„Wat doe je nu?”

„Niks.”

„Je gaat toch naar school hè?”

Hij haalt zijn schouders op.

„Vind je het goed dat ik je aanmeld bij de acht-tot-achtgroep?”

„Nee. Ik weet precies hoe dat gaat.”

El Mazouni: „Dat weet je niet. Ik vind je een beetje opstandig vandaag.”

„Iedereen smeert me dingen aan die ik niet wil.”

„Ga dan werken.”

„Waar moet ik werken? Albert Heijn? McDonald’s? Twee euro per uur vind ik niks.”

„Ik hoor dingen over jou... Je begint te lachen hè? Maar ik hoor dingen over jou, die zijn niet goed.”

Uiteindelijk en met veel tegenzin belooft de jongen mee te werken. „Ik ga niks uit de weg”, zegt El Mazouni. Hij is voor niemand bang. Hij behandelt iedereen gelijk. „Al staat mijn moeder op de stoep geparkeerd, ze krijgt een bon.” Hij woont niet meer in Amsterdam. Hij is voorzichtiger geworden. De Slotermeergroep hing voor de Febo in zijn buurt. Hij trad op, er waren collega’s die doorreden. Hij werd bedreigd. Dat hij in het ziekenhuis belandde, kwam door andere buurtjongeren.

Eerder artikel over de politietraining plus fotoserie op nrc.nl/binnenland