Europees toezicht is vleugellam

De diplomatie dreigt het Europese crisispreventieplan te ondermijnen. De Europese Commissie wil proberen te voorkomen dat zich zeepbellen op de markten ontwikkelen. Maar een van de voorgestelde nieuwe toezichthouders zal veel te zwaarlijvig worden, omdat iedereen een plekje aan tafel wil. En de andere zal zich misschien behoedzaam opstellen om niet op nationale tenen te gaan staan.

Laten we eerst eens kijken naar de European Systemic Risk Council (de ‘Europese Raad voor Systeemrisico’s’), het lichaam dat zich zou moeten richten op de ‘macro’-zijde van het voorkomen van financiële crises. Als de gouverneurs van de centrale banken van alle landen daarvan deel gaan uitmaken, naast de nationale toezichthouders op het bankwezen, de president van de Europese Centrale Bank en diverse andere hoogwaardigheidsbekleders, zullen er 62 mensen om de tafel zitten. Dit lichaam zal iedere drie maanden bijeenkomen. Dat klinkt als een nachtmerrie.

De Commissie onderkent het probleem wel enigszins. Dat is de reden dat zij erop aandringt tevens een veel kleinere stuurgroep in te richten, om de vergaderingen van de Raad voor te bereiden. Maar dan is er toch een veel betere oplossing: maak van de stuurgroep een uitvoerend comité, dat regelmatig bijeenkomt; en laat de volledige Raad slechts eenmaal per jaar vergaderen. In normale omstandigheden moet dat vaak genoeg zijn.

En laten we vervolgens het European System of Financial Supervisors (‘Europese Systeem van Financiële Toezichthouders’) eens onder de loep nemen, een netwerk van gezagsdragers dat zich zou moeten toeleggen op de ‘micro’-kant van het voorkomen van crises. Gezien de begrijpelijke zorgen bij nationale staten over soevereiniteitsverlies, zullen deze nieuwe Europese autoriteiten beperkte bevoegdheden hebben. Ze zullen grotendeels te werk gaan via de nationale toezichthouders, die verantwoordelijk zullen blijven voor het dagelijks toezicht op de financiële instellingen.

De nieuwe autoriteiten moeten in actie komen als een transnationale bank in moeilijkheden komt en de relevante nationale toezichthouders geen overeenstemming kunnen bereiken over wat ze moeten doen. Denk aan de manier waarop de Nederlandse en Belgische overheden Fortis vorig jaar langs nationale lijnen hebben opgedeeld, nadat de bank in zwaar weer verzeild raakte. In de toekomst zou de Europese bankenautoriteit eerst proberen het meningsverschil tussen de Nederlanders en de Belgen op te lossen. Uiteindelijk zou zij, bij het uitblijven van een akkoord, een oplossing dwingend kunnen opleggen.

Het enige probleem is dat de nieuwe bankenautoriteit geen bevoegdheid zou hebben om ‘inbreuk te maken’ op de fiscale verantwoordelijkheden van landen. Dat lijkt in te houden dat zij niet zou kunnen dicteren hoe de rekening voor toekomstige reddingsoperaties onder de verschillende landen zou worden verdeeld. Zonder een dergelijke bevoegdheid kan de autoriteit worden gereduceerd tot een praathuis.

Dat hoeft geen ramp te zijn, want het is in feite de weerspiegeling van het delen van de macht in een supranationale organisatie met 27 regeringen. Maar Brussels moet zichzelf niet voor de gek houden een magische oplossing te hebben gevonden ter voorkoming van toekomstige zeepbellen.

Hugo Dixon

    • Hugo Dixon