Europa? Ja, maar met mate

Meer samenwerking met andere Europese landen, dat zien Nederlanders graag.

Maar als je hen vraagt of ‘Brussel’ meer macht moet krijgen, zeggen ze: liever niet.

Veel helderder kan een conclusie niet zijn. „De macht van de Europese Unie moet niet worden uitgebreid”, zo vatten onderzoekers van opiniepeiling ‘21minuten’ de mening van de Nederlandse bevolking samen. En: „Een Europese ambitie om zich breed te profileren, wordt niet gesteund.”

Gisteravond kreeg een aantal Nederlandse lijsttrekkers van de Europese verkiezingen de resultaten van het grootschalige internetonderzoek aangeboden. De enquête laat zien dat Nederlanders zich in meerderheid verzetten tegen de overdracht van meer politieke bevoegdheden aan ‘Brussel’.

Sterker, meer dan de helft van de Nederlanders wil de Europese integratie op sommige terreinen terugdraaien. Zo vindt 54 procent van de Nederlanders dat de komst van werknemers uit andere EU-landen (‘de Polen’) moet worden ingeperkt, ook als dat leidt tot hogere prijzen voor producten en diensten. 49 procent is het oneens met de stelling dat werknemers uit andere EU-lidstaten meer voordelen dan nadelen bieden. Niet meer dan een kwart vindt de voordelen groter.

De uitkomsten zijn stevig – maar verbazen ze ook? Al eerder sprak de Nederlandse bevolking zich uit tegen een al te grote, politieke macht voor Brussel. Dat was in 2005, toen een ruime meerderheid bij het referendum tegen de Europese Grondwet stemde. „Die anti-houding jegens Europa toen kan nu niet meer als toeval worden gezien”, zegt Alfred Pijpers, politicoloog en verbonden aan Instituut Clingendael. De Nederlandse terughoudendheid ten opzichte van Europa is met deze resultaten een structureel gegeven, zegt hij.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de Europese Grondwet, waarin aanzienlijke overdracht van macht naar het gemeenschappelijke EU-niveau werd geregeld, nog steeds geen steun krijgt van de bevolking. Het Nederlandse parlement keurde vorig jaar de opvolger van die grondwet goed, het Verdrag van Lissabon. Als de Ieren er dit najaar in een tweede referendum ‘ja’ tegen zeggen, staat alleen een aantal nationale procedures dit verdrag nog in de weg.

Opvallend is dat Nederlanders wel samenwerking willen op economisch gebied en bij de bestrijding van klimaatverandering. Ook vindt een ruime meerderheid dat een sterk Europa een tegenwicht biedt voor de macht van de VS en van groot belang is voor economische concurrentie met nieuwe machten, zoals China en India. Maar zodra het de eventuele uitbreiding van de Unie of het vrije verkeer van EU-werknemers betreft, zijn de meningen veel kritischer.

Waar komt dat verschil door? „Integratie en immigratie beïnvloeden de Nederlandse identiteit veel heftiger dan thema’s als klimaat of energie ooit zullen doen. Dat laatste is functionele samenwerking, die ervaart men niet als bedreigend voor de eigen identiteit”, zegt Pijpers. Waar het om integratie en immigranten gaat, wordt ‘Europa’ gezien als voertuig voor onheil: het instituut importeert andere identiteiten – en daar is men tegen. „Als de politieke aspiraties in Brussel groter worden, groeien de tegenstribbelingen gewoon mee.”

Een andere oorzaak voor het Nederlandse anti-sentiment dat uit de peilingen naar voren komt, is het gebrek aan debat. Nationale politici hebben tot vijf jaar geleden, tot het ‘nee’, iedere discussie over Europa ontweken. Daar krijgen de politici nu de rekening van gepresenteerd, zegt Claes de Vreese, hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam: „Door vijftig jaar lang vrijwel geen politieke discussie te voeren over hoe ver de Europese eenwording moet gaan, moet het Nederlandse debat over Europa zich nu nog ontwikkelen.” En in een platte campagne, waarin burgers het onderwerp niet goed kennen, kan „van alles worden geroepen”.

Uit onderzoek naar het referendum in 2005 kwam naar voren dat drie factoren cruciaal waren bij de beslissing om voor of tegen de grondwet te stemmen. De populariteit van de zittende regering, het debat over integratie en immigratie en, tot slot, de staat waarin de economie verkeert. Die drie ingrediënten wijzen nu allemaal in één richting – en dat is niet: meer macht afstaan aan Brussel. „Al kan het debat nu meer kanten op dan alleen ‘ja’ of ‘nee’. Men heeft de keuze tussen politieke partijen”, zegt De Vreese.

De derde factor, de staat van de economie, heeft door de economische crisis aan belang gewonnen. Europa-watcher Mendeltje van Keulen van Instituut Clingendael ziet de weerslag van die crisis duidelijk terug in het 21minuten-onderzoek. „In tijden van economische recessie worden mensen negatiever over buitenlandse werknemers. Het Wilders-verhaal van de Poolse loodgieter die Nederlandse banen inpikt slaat beter aan, ook al is het feitelijk niet correct.”

Ook behoren Nederlanders volgens Van Keulen traditiegetrouw tot de Europeanen die zich het meest zorgen maken over het verlies van invloed van kleine landen. Daar komt bij dat respondenten volgens haar negatiever worden als in de vraagstelling een nuance wordt aangebracht.

Van Keulen: „De meeste Nederlanders zijn doorgaans vóór een Europees asielbeleid, totdat erbij wordt gezegd dat Nederland dan minder te zeggen krijgt over wie er binnen komt. Nederlanders zijn voor een gezamenlijk Europees buitenlands beleid, totdat zou blijken dat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken dan minder macht krijgt.” Volgens Van Keulen worden Nederlanders weer positiever over een gezamenlijk buitenlands beleid als hen wordt verteld dat „Frankrijk, Duitsland en Engeland nu het Europese beleid bepalen”.

Opvallend is verder dat het vertrouwen in de EU volgens het 21minutenonderzoek laag is: 40 procent heeft weinig tot geen vertrouwen in de EU, 28 procent een beetje tot veel en 32 procent is neutraal. Uit het ‘Eurobarometeronderzoek’ (najaar 2008), in opdracht van de Europese Commissie, bleek dat 80 procent van de bevolking het Nederlandse EU-lidmaatschap een goede zaak vindt.

Volgens een woordvoerder van De publieke zaak, initiatiefnemer van het 21minuten-onderzoek, is dit niet tegenstrijdig met het lage vertrouwen in de EU dat uit het onderzoek blijkt. „De steun voor het huidige politieke systeem in Nederland is ook heel hoog, terwijl het vertrouwen in de politiek tegelijkertijd laag is.”

Rest de vraag hoe politieke partijen deze uitslagen meenemen in de laatste week van de Europese campagne. De boodschap die de Nederlandse burger wil overbrengen, hebben de meeste politieke partijen nu wel begrepen, zegt politicoloog Pijpers.

Het geluid dat het nationale belang moet worden veiliggesteld, zal er niet minder op worden – partijen als de PVV en de SP zullen zeker proberen hiervan de vruchten te plukken. Maar, zegt Pijpers: alle politieke partijen hebben ondertussen gebieden afgebakend waarvan ze vinden dat Brussel erbuiten moet blijven. „Oók GroenLinks en D66, al roepen ze dat ze pro-Europa zijn.”

Lees het complete ‘21minuten’-onderzoek op de website: nrc.nl/binnenland