Een geblondeerd monument voor de koningin

Weg met de vlekken. De Rijksgebouwendienst frist het Paleis op de Dam op. Monumentenzorgers zijn verontrust: nutteloos, historisch onjuist en bovendien riskant.

Smoezelig, donker, verweerd. Zo staat het Paleis op de Dam erbij, ruim drie eeuwen na de bouw als stadhuis van Amsterdam. In de zeventiende eeuw had het nog de kleur van blond haar. Inmiddels heeft stadsvuil zich opgehoopt in de groeven van de blokken Bentheimer en Obernkirchener zandsteen.

De gevel van het gebouw – dat geldt als het hoogtepunt van de Nederlandse classicistische architectuur – wacht een grootscheepse renovatie. De Rijksgebouwendienst wil de stenen zandstralen, laseren, bijkleuren en zonodig vervangen , om „de bonte vlekkerigheid” weg te werken en zo „de architectonische uitstraling weer op peil te brengen”. Kosten: ruim 40 miljoen euro. De wereldbol torsende Atlas staat al in de steigers.

Kunsthistorici zien „absoluut geen heil” in de ingreep, zegt Gerrit Vermeer, docent architectuurgeschiedenis en monumentenzorg aan de Universiteit van Amsterdam. „Wij vinden het nutteloos en agressief.” Gevelreiniging is onomkeerbaar en schadelijk, zegt Vermeer. „Je slijpt een laag van het gebouw af, en met welk doel? De kleurverschillen hebben er altijd ingezeten. Dat is juist het aardige: natuursteen leeft.”

Critici laken de plannen voor het bijkleuren, die zijn ingegeven door de verwaarloosde indruk die het gebouw zou maken. Er is geen technische noodzaak, staat in het essay dat de Rijksgebouwendienst ter verantwoording toevoegde aan de vergunningaanvraag bij de gemeente Amsterdam.

Ook historische gronden ontbreken voor de verflaag, schreef Pieter Vlaardingerbroek, medewerker van het Amsterdamse Bureau Monumenten, op persoonlijke titel in het maandblad Amstelodamum. De natuurstenen gevels van het Paleis zijn door architect Jacob van Campen bij de bouw (tussen 1648 en 1665) immers ook niet geverfd, hoewel een verflaag in die tijd eerder regel was dan uitzondering. Dat was een bewuste keuze, meent Vlaardingerbroek. De zandsteensoorten die Van Campen gebruikte zouden van zo’n goede kwaliteit zijn dat de architect verven niet nodig achtte.

Marten Jan Bok, hoofddocent kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, waarschuwt in hetzelfde tijdschrift voor de gevolgen van de gevelrenovatie: „De behandeling brengt zeker risico’s met zich mee. Zo is gebleken dat laseren bij enkele gebouwen in Rotterdam en Den Haag leidde tot ongewenste kleurverschillen. Ook in het buitenland is het gebeurd dat zandsteen verkleurde of zelfs geheel kleurloos werd.” Nog een probleem is volgens Bok dat veel gebouwen waar verf was toegepast last kregen van alg- en mosgroei.

Renovatie, zegt Bok, gaat niet om het terugbrengen in oorspronkelijke staat, maar om behoud. „Zuiver cosmetische ingrepen, omdat wij nu toevallig strak en wit mooi vinden, zijn ongewenst. Dit gebouw is voor Nederland net zo belangrijk als de Taj Mahal voor India. Het is onze taak het zo veel mogelijk in authentieke staat te behouden.”

Ook monumentenvereniging Bond Heemschut noemt de voorgenomen reiniging een „modegril”. De afgelopen twee eeuwen werd verweerde natuursteen juist gewaardeerd. Secretaris David Mulder: „Bij ingrijpende renovaties in de jaren dertig en zestig bleven de gevels onaangeroerd. Precies volgens de aloude en ongeschreven regel bij renovatie, dat aanpassing niet onomkeerbaar mag zijn.”

Waarom de Rijksgebouwendienst het pand nu wil blonderen, blijft ongewis. Vermeer: „In de monumentenzorg is het schraalheid troef. Er zijn zoveel gebouwen die op instorten staan en daar is nooit geld voor. Waarom voor het Paleis zonder noodzaak klauwen met geld worden uitgetrokken, begrijpt niemand. Het moet de wens van de koningin zijn.”

In de kritiek op de gang van zaken klinkt de Amsterdamse bitterheid door die Bram Kempers, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, vorig jaar in deze krant verwoordde. „Het gebouw is ontworpen, gedecoreerd en gebruikt als stadhuis. Als het achtste wereldwonder ging het de geschiedenis in, maar het gebouw raakte zijn openbare karakter kwijt.”

Het Paleis werd in 1936 officieel Rijkseigendom. Tegenwoordig heeft het vooral een representatieve functie. Zo wordt het gebruikt bij staatsbezoeken, voor de Nieuwjaarsreceptie van de koningin en koninklijke prijsuitreikingen.

Kempers: „Af en toe dient het gebouw als decor voor een feest maar meestal blijft het gesloten. Wat het stralend middelpunt van Amsterdam was, een voor burgers toegankelijk werkgebouw, is veranderd in een ontoegankelijke kolos op het belangrijkste plein van de hoofdstad. Dit doet geen recht aan onze geschiedenis.”