De hiphophoofdstad? Roffa!

In Rotterdam houden ze van warme samples en rauwe rappers zonder poeha.

Morgen is de opening van het Urban Culture Podium in de Maassilo.

De Rotterdamse rapper Winne (Winston Bergwijn). (Foto Bas Czerwinski) De Rotterdamse rapper Winne (Winston Bergwijn). Foto Bas Czerwinski 09-04-2009, Rotterdam. Rapper Winnie, Winston Bergwijn. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Vroeger, man. Vroeger werd je weggestuurd als je met een gettoblaster naar een pleintje of winkelcentrum ging voor een breakdancewedstrijd. Beveiligers, klagende burgers en agenten waren begin jaren 80 de belangrijkste vijanden van de jongens die de prille hiphopcultuur vormden, vertelt de Rotterdamse danslegende Paulo Nuñes (43): „En soms lieten ze gewoon de honden op ons los, hoor.”

Nu staan er op het podium in de Maassilo in Rotterdam-Zuid twee blanke mannen op leeftijd, waarvan de één de ander het boek Hiphopstad Rotterdam overhandigt. Het is goed dat het boek er is, zegt de ene man, directeur van de Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam (SKVR), die het boek uitgaf. Dat er in de toekomst een boek mag verschijnen dat nog véél dikker is, wenst de andere, die wethouder van Cultuur is.

In het publiek zegt Nuñes dat hij zich niet zo op zijn plek voelt in de matig gevulde ruimte in de Maassilo, waar vanaf deze week het Urban Culture Podium gevestigd is, dat door het stadsbestuur met 11 miljoen euro gesteund wordt. Nuñes heeft het gevoel dat zijn cultuur, een kwart eeuw nadat hij de honden van zich af moest houden, wordt overgenomen door wat hij ‘de subsidiewereld’ noemt.

Vroeger, man. Vroeger durfde je als rapper, dj of danser in Rotterdam echt het podium niet op wanneer je nog niet goed genoeg was. „Vroeger werd er shit op je gegooid wanneer je nep was. Dan moest je opdonderen”, vertelt de Rotterdamse rapper Winne (31). „Het publiek is nog steeds kritisch. Zelfs Rotterdamse artiesten zijn bang om hier shows te doen, want je weet nooit hoe de crowd gestemd is.”

Zijn debuutalbum Winne Zonder Strijd verscheen begin dit jaar, maar Winston ‘Winne’ Bergwijn is al jaren een boegbeeld van zijn stad in de landelijke scene. Er was lange tijd sprake van dat hij leiding zou gaan geven aan een Rotterdamse dependance van het belangrijkste hiphoplabel in Nederland, het in Amsterdam gevestigde Top Notch, waar hij als artiest onder contract staat. Dat plan is voorlopig van de baan; Winne concentreert zich op de promotie van zijn eigen carrière. Maar het idee leeft nog steeds. Winne: „Het is belangrijk voor een label als Top Notch om een vinger in de pap te hebben in Rotterdam.”

En zo is het. Roffa (straattaal voor Rotterdam) is zonder twijfel het creatieve epicentrum van hiphop in Nederland. De hiphophoofdstad zelfs, zoals Winne het noemt, want „kijk hoeveel hiphoppers er zijn in Rotterdam die de stad kunnen dragen. Als je het tegen ons opneemt, ben je al snel outnumbered.”

Op de remix van het nummer ‘Geef 8’, waar Winne zijn debuut mee afsluit, laat hij een reeks Rotterdamse rappers figureren. Het is recht-voor-je-raap-rap zoals die in de havenstad veel gemaakt wordt, die duidelijk verwant is aan hiphop uit New York. Ook in Manhattan aan de Maas houden ze van warme samples en rauwe rappers zonder poeha.

Op het moment dat de hiphopcultuur vanuit New York de oceaan overstak, vond het vooral in Rotterdam direct vruchtbare grond. Winne was anderhalf jaar oud toen zijn ouders van Paramaribo naar het Oude Westen verhuisden. Op de basisschool kreeg hij een cassettebandje van zijn vader met daarop muziek van Public Enemy en Ice-T. Hij vindt het logisch dat Rotterdam hiphop omarmde. De stad lijkt volgens hem niet alleen in uiterlijk op New York, maar ook in karakter. „Het is hier een snelle stad, waar veel verschillende nationaliteiten door elkaar leven”.

In 2009 is Rotterdam ‘jongerenhoofdstad van Europa’, zo heeft het gemeentebestuur besloten. Winne is een van de ambassadeurs en urban een van de hoofdthema’s.

De term ‘urban’ wordt afwisselend gebruikt als containerbegrip voor moderne zwarte popmuziek en/of grotestadscultuur, maar is in de praktijk vaak een andere term voor hiphop. De scene ziet urban als commercieel etiket dat van buitenaf op de cultuur is geplakt, omdat hiphop een te negatieve connotatie zou hebben. Wethouder van Cultuur Rik Grashoff (GroenLinks), die politiek verantwoordelijk is voor het urban podium, geeft als voorbeelden van activiteiten in dat podium breakdance, rap en graffiti, alle drie pijlers van hiphop. Hij wil met het podium „Rotterdam nationaal en internationaal op de kaart zetten”. De Maassilo „wordt het kloppende hart van de urban culture; dit wordt de homebase”, zegt hij. „Met oefenruimtes, studio’s, plekken om op te treden.”

Vijfentwintig jaar voordat er in zijn stad een urban podium zou komen, zette Nuñes zijn scene al internationaal op de kaart. Nuñes was een breakdancelegende omdat zijn ene been twintig centimeter korter is dan het ander en hij deze niet kan buigen, maar hij wel de ene na de andere danswedstrijd won. In 1984 werd hij wereldkampioen breakdance in Zwitserland. „Ik vind het urban podium niet erg, maar waarom mochten wij zelf niet kiezen?”, zegt Nuñes. Hij vindt dat hiphop zich op kleinere schaal moet ontwikkelen, bij jongeren in hun eigen buurt. Hiphop is geen cultuur die ontstaat „in panden waar je subsidie krijgt”.

Voordat dj Clyde ‘DCS’ Irion op het podium van de Maassilo een nieuwe plaat opzet, zegt hij dat hij niet verwacht „dat zo’n gebouw iedereen gaat trekken”. DCS was onderdeel van het Rotterdamse straatcollectief Bad Boys, was als dj actief in New York en werd in 1995 wereldkampioen na een dj-battle. Ook volgens hem is de eigen buurt belangrijker dan een centraal, door de gemeente aangewezen punt. „Je moet je ontwikkelen in je eigen wijk, daarna kan je pas naar een centraal punt gaan en iedereen smashen.”

Winne ziet het urban podium welwillend tegemoet. „Het is positief dat de stad urban promoot, alleen weten we niet hoe het eruit zal zien. Of het zal gaan om het erkennen van talent of toch meer een politiek spelletje is.” Het zijn tenslotte de survivors van het kritische klimaat in Roffa en niet de subsidierappers van urban stad Rotterdam die als motor hebben gewerkt bij de ontwikkeling van Nederlandse hiphop. „Het is goed als mensen moeten strugglen om creatief ergens te komen”, zegt Winne. „Juist door die ‘fuck you, wie ben jij?’-mentaliteit, blijven artiesten hier dichtbij de kunst en komen ze pas naar buiten wanneer ze zeker weten dat ze nice zijn. Dat levert diamanten op.”

    • Saul van Stapele