Van mens en markt

Heeft de markt gefaald of was het de mens? Het debat over de kredietcrisis lijkt zich nu tot die tegenstelling toe te spitsen. Aanleiding voor de ideologische discussie is de stelling van premier Balkenende dat menselijk falen de voornaamste aanleiding voor de crisis was. Het principe van de vrije markt mag volgens hem dus niet worden aangevallen nu de financiële sector in het ongerede is geraakt.

Vicepremier Bos verweet Balkenende vervolgens naïviteit. Hij benadrukte dat de oorzaak van het falen eerder moet worden gezocht in het ‘systeem’.

Er is weinig voor nodig de tegenstelling terug te voeren op het christelijke idee van de tot zonde geneigde mens, waarin Balkenende is opgevoed, versus het positieve mensbeeld van de Verlichting, waarvan Bos een der erfgenamen is. Maar zo eenvoudig ligt het niet. In de christen-democratische kring van Balkenende verschillen de meningen behoorlijk over de mate waarin de vrije markt haar gang mag gaan. En ook het sociaal-democratische mensbeeld zal zeker niet door alle partijgenoten van Bos – wellicht ook niet door hemzelf – worden toegepast op de bankiers die kennelijk de dupe zijn van hun eigen systeem.

Toch is de tegenstelling verhelderend. Zij maakt een wat analytischer vraagstelling mogelijk. Is de kiem gelegd in de jaren negentig, toen het marktdenken breed werd omarmd? Of is de implosie van de financiële sector een geïsoleerde gebeurtenis? Daaruit vloeien weer secundaire vragen voort. Is de kredietcrisis niet meer dan het meest pregnante voorbeeld van het algehele failliet der jaren negentig of is de schade toch te repareren door middel van betere wet- en regelgeving en een scherper toezicht? Vertroebelend is het feit dat de financiële sector een bijzondere plaats inneemt in de ordening van economie en samenleving. Zij vormt in belangrijke mate een deel van de infrastructuur, regelt het betalingsverkeer, is een haven voor spaargeld en is een bron van kredieten.

Kortom, het gaat hier niet om de automobielindustrie waar een overheid alleen zou ingrijpen ter wille van de werkgelegenheid. Nee, de grootscheepse staatssteun van afgelopen najaar was niet vrijwillig, maar gedwongen, om te voorkomen dat het weefsel van de samenleving zou scheuren. De financiële markt is dus een bijzondere markt die een apart regime vergt. Of die conclusie direct consequenties moet hebben voor andere sectoren, is de vraag.

Maar in het debat daarover ontbreekt in Nederland op dit moment een stem die wellicht het meest interessant is. Hoe denken de liberale partijen, tenslotte Bos’ zusters in de Verlichting, over oorzaak en gevolg van de crisis? CDA en PvdA hebben bij monde van premier en vicepremier een begin gemaakt met de meningsvorming. Bij VVD en D66 blijft het tot nu toe stil. De derde stroming, die een positief mensbeeld verenigt met de zegeningen van de vrije markt, is zeker geen onbetreden pad. Het zou interessant zijn hoe men dat in liberale kring rijmt met de huidige crisis en haar oorzaken.