Politici zijn zelf de schuld van de Europafobie

Gehechtheid aan de eigen identiteit maakt ons blind voor de gemengde samenstelling van de Europese bevolking, menen Guido Snel en Nurnaz Deniz.

‘Eigenlijk moet het verdrietig wezen voor een koning, die gedurig vraagt: „vindt gijlieden die wet goed?”, als hij telkens bemerkt dat het volk zelf, in wiens belang die vraag geschiedt, niet eens de moeite neemt zich met die zaken in te laten, en door verregaande onverschilligheid toont onmondig te wezen.’

De woorden zijn van Multatuli, die zich in zijn Minnebrieven beklaagde over de onverschilligheid van de burger voor het eigen democratische recht. Ook jegens een rijk zonder vorst, de EU, zal de Nederlandse kiezer bij de komende Europese verkiezingen vermoedelijk tonen ‘verregaand onmondig te wezen’. Tenzij de lijsttrekkers er alsnog in slagen om ‘Europa bij de burger te brengen’, wat op korte termijn niet in de verwachting ligt.

Het oude verhaal van Europa, een continent dat na de wereldoorlogen alleen door verzoening en integratie voort kon bestaan, lijkt in Nederland een historische schim geworden. Als Europa al als werkelijkheid wordt beleefd, is het als bemoeial (de bedilzuchtige EU), als bedreiging voor de kostbare nationale identiteit, of, terug van een chartervlucht, als dat ene douaneloket waar de rij uiteindelijk toch net zo lang blijkt als bij het loket voor overige paspoorten.

De Europese resultaten van de enquête 21minuten.nl bevestigen onbehagen over, wantrouwen jegens, of zelfs afkeer van de EU. Er is weliswaar interesse in Europese samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van economie en milieu, maar ook niet meer dan dat. Bij een huidige stemming zou een Europees Grondwettelijk Verdrag het weer niet halen. Wat hier vooral lijkt te spelen, is een gehechtheid aan de eigen identiteit. Xenofobie verslaat de traditionele nationale spaarzaamheid: een Poolse of Roemeense hovenier zou wellicht goedkoper zijn, maar Nederland harkt het liefst zelf de eigen tuin aan.

Dat is spijtig, want buiten het Nederlandse gezichtsveld is Europa reëler, en wezenlijker, dan ooit. Een voorbeeld: Lublin, stad aan de Poolse buitengrens van de EU met Oekraïne, heeft in 2008 van de Raad van Europa geld gekregen voor verbetering van de ‘interculturele infrastructuur’. Lublin, sinds de Holocaust ‘etnisch smetteloos’, is als buitenpost van het Schengengebied in rap tempo opnieuw een gemengde stad aan het worden, een migratiestad. Nieuwe diversiteit op een plek waar de oude ooit is uitgeroeid. Hoeveel reëler kan het Europese project worden?

Ook de stad Tilburg is in hetzelfde project, Intercultural Cities, van de Raad van Europa bedeeld. De website van de Raad van Europa geeft een beschrijving van Tilburg die volledig recht doet aan het gemengde karakter van de bevolking van deze stad, met een realisme dat in het inmiddels van integratie bezeten Nederland ondenkbaar is geworden. De Europese visie op Nederland is misschien reëler dan de visie die Nederland op zichzelf heeft.

Waarom brengt de huidige generatie politici deze werkelijkheid niet over aan de kiezers? Waarom maakt het eindeloos complexe, gemengde karakter van onze samenlevingen geen deel uit van hun ‘Europaverhaal’? Volgens historicus Tony Judt omdat de huidige generatie Europese politici is opgegroeid in het Europa van na de Holocaust. Dit Europa had zichzelf etnisch gezuiverd; toen het continent vanaf de jaren zestig opnieuw gemengd begon te raken, vond men de nieuwe diversiteit een zaak van de nieuwkomers, de arbeidsmigranten, de migranten uit de voormalige koloniën. Zelf ondervond men het niet aan den lijve, en daardoor ontbrak het deze generaties politici aan verbeelding en aan een gevoel van noodzaak. Het gevolg is dat men er vooralsnog alleen in slaagt de nieuwe realiteit te zien als een van ‘integratieproblematiek’.

Maar ook de nieuwe burgers, met een voorgeschiedenis van migratie, voelen zich niet door Europa aangesproken. Waarom niet? Hun ervaring is wezenlijk Europees. Laten we ze daarom geen migranten noemen, geen nieuwkomers, en ook geen allochtonen, maar de nieuwe kosmopolieten, vanwege hun Europese realiteit: dubbele nationaliteit, twee of meer talen in je hoofd. En omdat hun nationale burgerschap net iets minder zekerheid biedt dan aan de autochtonen, zou Europa hun tweede, ruimere en gullere thuis moeten zijn. Maar dat is het niet. Tussen Europa en zijn nieuwe kosmopolieten blijft het muisstil.

Het nieuwe kosmopolitisme is een zaak van de nuance, niet van wij en zij. Wie verwoordt deze nuance in de Europese politieke arena? In de verkiezingscampagne in Nederland, die schrikbarend armoedig is, bleek eens te meer dat deze realiteit niet vertegenwoordigd werd. Een voorbeeld bood de campagne om het Europese lijsttrekkerschap in de PvdA. Hannah Belliot, oud-stadsdeelvoorzitter in Amsterdam-Zuidoost en wethouder Cultuur van Amsterdam, verdedigde haar kandidatuur niet met het wijzen op haar grote verdiensten voor emancipatie en diversiteit, maar met precies dezelfde ongeïnspireerde leuzen als haar collega’s die misschien al te vertroeteld zijn in de Brusselse schoot. Europa bij de burger brengen, zelfs uit haar mond overtuigde het niet.

Als bij de komende Europese verkiezingen de kiezers zich inderdaad ‘door onverschilligheid onmondig’ zullen tonen, is dat niet alleen bijzonder spijtig, het is een miskenning van hoe reëel, en hoe noodzakelijk Europa is.

Guido Snel is docent moderne Europese letterkunde aan de UvA en schrijver. Nurnaz Deniz is werkzaam in de kunstensector en publicist.

Op zaterdag 30 mei debatteert Luuk van Middelaar over zijn boek ‘De passage naar Europa’. Tijd: van 20.00 tot 22.00 uur. Plaats: Tumultzaal, Domplein 4-5, Utrecht. Info en aanmelden: www.tumultdebat.nl