Opsporing via etnische stereotypen werkt niet

Politie en justitie maken veel gebruik van etnische en religieuze stereotypen bij het fouilleren en arresteren van verdachten. Dit werkt averechts op de bestrijding van criminaliteit en terrorismebestrijding, zo blijkt uit Brits onderzoek van het Open Society Institute (OSI) dat gisteren is gepresenteerd.

Het OSI, een niet-gouvernementele organisatie die wereldwijd de ontwikkeling van een open samenleving, rechtsstaat en democratisering bevordert, deed onderzoek naar het gebruik van de stereotypen bij politieoptredens in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië en andere EU-lidstaten. Aanleiding waren de aanhoudende klachten van Europese minderheids- en migrantengroepen over discriminerende behandeling door politie en justitie.

Etnisch profileren, binnen gestelde grenzen een legale politiepraktijk, varieert van het massaal onderscheppen van elektronisch dataverkeer (datamining) tot intimiderende identiteitscontroles. Hoewel in heel Europa dergelijke praktijken worden toegepast, ziet OSI-onderzoeksleider James Goldston ook specifiek Nederlandse ontwikkelingen. Zo was na de moord op Theo van Gogh in 2004 het systeem om potentiële terroristen te identificeren te veel gericht op een brede groep moslims die zich netjes aan de wet hield, aldus Goldston. Het surveilleren van Nederlandse moslimgemeenschappen had volgens hem tot gevolg dat „moslims zich van de maatschappij vervreemd voelen en zelfs in angst leven”.

Behalve stigmatiserend noemt het OSI dergelijke politiepraktijken ondermijnend voor de rechtsstaat. Bovendien zou etnisch profileren ineffectief zijn. Onderzoeker Goldston heeft drie belangrijke aanbevelingen voor de Europese lidstaten: „Etnisch profileren zou binnen de EU juridisch onmogelijk moeten worden gemaakt. Verder zou de politie meer moeten samenwerken met etnische minderheidsgroepen. En er moeten meer gegevens worden verzameld over de manier en effectiviteit van politieoptreden.”