Nederlanders raken maar niet gesteld op Europa

Meer samenwerking met andere Europese landen zien Nederlanders graag. Maar ‘Brussel’ moet niet te veel macht krijgen, zo blijkt uit het grote opinieonderzoek ‘21minuten’.

Veel helderder kan een conclusie niet zijn. „De macht van de Europese Unie moet niet worden uitgebreid”, zo vatten onderzoekers van opiniepeiling 21minuten de mening van de Nederlandse bevolking samen. En: „Een Europese ambitie om zich breed te profileren, wordt niet gesteund.” Dat zijn stevige waarnemingen – maar verbazen ze ook?

Al eerder sprak de Nederlandse bevolking zich uit tegen een al te grote, politieke macht voor ‘Brussel’. Dat was in 2005, toen een ruime meerderheid bij het referendum tegen de Europese Grondwet stemde. „Die anti-houding jegens Europa toen kan nu niet meer als toeval worden gezien”, zegt Alfred Pijpers, politicoloog en verbonden aan Instituut Clingendael. De Nederlandse terughoudendheid ten opzichte van Europa is met de resultaten van vandaag een structureel gegeven, zegt hij.

Opvallend is dat Nederlanders wel samenwerking willen op economisch gebied en bij de bestrijding van klimaatverandering. Ook vindt een ruime meerderheid dat een sterk Europa een tegenwicht biedt voor de macht van de VS en van groot belang is voor economische concurrentie met nieuwe machten als China en India. Maar zodra het de eventuele uitbreiding van de Unie of het vrije verkeer van EU-werknemers betreft, zijn de meningen veel kritischer.

Waar zit dat verschil in? „Integratie en immigratie beïnvloeden de Nederlandse identiteit veel heftiger dan thema’s als klimaat of energie ooit zullen doen. Dat laatste is functionele samenwerking, „die ervaart men niet als bedreigend voor de eigen identiteit”, zegt Pijpers. Waar het om integratie en immigranten gaat, wordt ‘Europa’ gezien als voertuig voor onheil: het instituut importeert andere identiteiten, en daar is men tegen. „Als de politieke aspiraties in Brussel groter worden, groeien de tegenstribbelingen gewoon mee.”

Een andere oorzaak voor het Nederlandse anti-sentiment dat in de peilingen naar voren komt, is het gebrek aan debat. Nationale politici hebben tot vijf jaar geleden, tot het ‘nee’, iedere discussie over Europa waar mogelijk ontweken. Daar krijgen de politici nu de rekening van gepresenteerd, zegt Claes de Vreese, hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. „Door vijftig jaar lang vrijwel geen politieke discussie te voeren over hoe ver de Europese eenwording moet gaan, moet het Nederlandse debat zich nu nog ontwikkelen”, aldus De Vreese. En in een platte campagne kan „van alles worden geroepen”.

Vervolg 21minuten: pagina 2

In crisis meer kritiek op buitenlandse werknemer

Uit onderzoek naar het referendum in 2005 kwam naar voren dat drie factoren cruciaal waren bij de beslissing om voor of tegen de grondwet te stemmen. De populariteit van de zittende regering, het debat over integratie en immigratie, en tot slot de staat waarin de economie verkeert. Die drie ingrediënten wijzen nu allemaal in één richting: en dat is niet richting meer macht afstaan aan Brussel. „Al kan het debat nu wel meer kanten op, doordat niet alleen ja of nee kan worden gestemd. Men heeft de keuze tussen politieke partijen”, aldus De Vreese.

De derde factor, de staat van de economie, heeft door de economische crisis aan belang gewonnen. Europa-watcher Mendeltje van Keulen van Instituut Clingendael ziet de weerslag van die crisis duidelijk terug in het 21minuten-onderzoek. „In tijden van economische recessie worden mensen negatiever over buitenlandse werknemers. Het Wilders-verhaal van de Poolse loodgieter die Nederlandse banen inpikt slaat beter aan, ook al is het feitelijk niet correct.”

Ook behoren Nederlanders volgens Van Keulen traditiegetrouw tot de Europeanen die zich het meest zorgen maken over het verlies van invloed van kleine landen. Daar komt bij dat respondenten volgens haar negatiever worden als in de vraagstelling een nuance wordt aangebracht.

„De meeste Nederlanders zijn doorgaans vóór een Europees asielbeleid, totdat erbij wordt gezegd dat Nederland dan minder te zeggen krijgt over wie er binnen komt.”

Opvallend is verder dat het vertrouwen in de EU volgens het 21minutenonderzoek laag is: 40 procent heeft weinig tot geen vertrouwen in de EU, 28 procent een beetje tot veel en 32 procent is neutraal. Uit het Eurobarometeronderzoek (najaar 2008), in opdracht van de Europese Commissie, bleek dat 80 procent van de bevolking het Nederlandse EU-lidmaatschap een goede zaak vindt.

Volgens een woordvoerder van De publieke zaak is dit niet tegenstrijdig met het lage vertrouwen in de EU dat uit het 21minuten-onderzoek blijkt. „De steun voor het huidige politieke systeem in Nederland is ook heel hoog, terwijl het vertrouwen in de politiek tegelijkertijd laag is.”

Resteert de vraag hoe politieke partijen deze uitslagen meenemen in wat alweer bijna de laatste week van de Europese campagne is. De boodschap die de Nederlandse burger wil overbrengen, hebben de meeste politieke partijen inmiddels wel begrepen, zegt politicoloog Pijpers.

Het geluid dat het nationale belang moet worden veiliggesteld, zal er niet minder op worden – partijen als de PVV en de SP zullen zeker proberen hiervan de vruchten te plukken. Maar, zegt Pijpers: alle politieke partijen hebben ondertussen gebieden afgebakend waarvan ze vinden dat Brussel erbuiten moet blijven. „Oók Groenlinks en D66, al roepen ze dat ze pro-Europa zijn.”

    • Wilmer Heck
    • Annemarie Kas