Naar Zeeland

Mooi weer, Zeeland wenkte. Maar het eerste wat Zeeland deed toen het ons gisteren zag, was dikke tranen huilen. Een middag lang onder loodgrijze luchten. Met Zeeland bedoel ik nu in het bijzonder Zuid-Beveland, en nog meer in het bijzonder ‘De Zak van Zuid-Beveland’, de dubbelzinnig klinkende benaming voor het gebied ten zuiden van Goes. Daar moest ik altijd nog een keer heen, omdat ik er zoveel mensen lyrisch over had horen praten.

Met de trein uit Roosendaal vielen we Zeeland ’s middags bij Rilland-Bath binnen. Eigenlijk zou je daar meteen halt moeten houden, misschien zelfs wel voor de rest van je leven. Maar dat kan altijd nog. Als je uitgedacht en uitgepraat bent, kies je voor de onbestemde leegte langs een spoorweg en een verkeersweg: Rilland-Bath. Een naam zo ongenaakbaar en huiveringwekkend als de namen bij Bordewijk. Maar we moesten door, via Goes nog wel. Was ik daar wél ooit eerder geweest? Misschien als kind. Het viel me helemaal niet tegen, voorzover ik door de regensluiers heen kon kijken. Een interessante kerk, de Grote of Maria Magdalenakerk, monument van laatgotische onaantastbaarheid, en een levendige Grote Markt, waar een jonge colporteur me nog een gratis Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) in de hand stopte – ook daar vecht de krant kennelijk voor haar leven.

In Goes moesten we een kwartiertje wachten op de bus naar Ovezande, ons einddoel. Onder het afdakje voerden twee vrouwen een leerzaam gesprek. De ene was oud, de andere jong, maar ze hadden gemeen dat ze niet uit Zeeland kwamen. Het ging over het Zeeuwse dialect.

„Ik woon hier nu 34 jaar”, zei de oude vrouw, „maar elke keer als ik Zeeuws probeer te praten, zeggen ze hier: we horen zo dat je uit Rotterdam komt. En dan hebben ze ook nog in elke streek een ander dialect.”

„Ik vind het wel jammer”, zei de jonge vrouw. „Ik kom uit Den Haag en werk hier nu vier jaar, maar ik besef dat ik het nooit zal leren. Na een jaar moest ik bij de toneelclub weg omdat ik geen Zeeuws sprak. Ik kan maar één Zeeuws zinnetje goed zeggen.”

Ze ratelde een lange zin af in een taal die ook in Azerbajdzjan of Kazachstan gesproken zou kunnen worden. Ik besloot ter plekke om nooit te solliciteren bij de PZC.

De bange vraag rees of we ons in Ovezande verstaanbaar zouden kunnen maken. Het dorp ligt diep verscholen in die geheimzinnige Zak van Zuid-Beveland. Het heeft 1.200 inwoners en desondanks twee kerken: een katholieke en een hervormde. Maar de katholieken bleken het gewonnen te hebben. Hun kerk functioneert nog, de hervormde is als godshuis buiten dienst. Er werkt nu een beeldhouwer. We mochten het aardige kerkje met zijn witte bankjes even van binnen bekijken. Ik liep naar achteren door en stond opeens in een ruimte met zwarte, ronde kussens rond één grote gedoofde kaars.

Hier bleken Zenoefeningen te worden gehouden onder leiding van een heuse Zenmeester. „Er wordt na het zitten geen thee of andere zaken genuttigd”, las ik in een strenge folder, „om de stilte en de rust vanuit het zitten zoveel mogelijk te respecteren.”

Zen in Ovezande! De ontkerkelijking van Nederland in een notendop. Waar God dood is, daar leeft Zen nog.