Leuk-leuk

In het Nederlands kun je vrij veel woorden verdubbelen. Leuke woorden zijn dat. Denk aan hè hè, kom kom, nou nou, zo zo, gut gut en poe poe.

Er is een andere categorie verdubbelingen, en die is nog veel leuker. Het gaat zo. Meisje 1: „Hij studeert Nederlands. En hij roeit. Hij is wel leuk.” Meisje 2: „Oké… Maar is ’ie leuk? Of is ’ie leuk-leuk?”

‘Leuk’ betekent dat iemand aardig is, maar dat is je broertje ook. Leuk-leuk betekent dat je je kunt voorstellen dat er uiteindelijk dingen gaan gebeuren zonder onderbroek. (In het Engels komt deze dubbeling trouwens ook voor. „Do you like him? Or do you like him like him?”)

Dit soort dubbelingen zijn geloof ik bedoeld om de ‘serieuzere’ vorm van het oorspronkelijke woord uit te drukken. „Ik ben niet echt een meisje-meisje”, want meisje-meisjes, dat zijn archetypische meisjes, die altijd roze dragen en nooit naar de wc gaan – of alleen voor kleine plasjes.

Nog een voorbeeld: „Ik ben gestopt als invalhulp op het kinderdagverblijf, ik werk nu bij het ministerie. Leuk, maar wel echt een baan-baan.” Niet alleen maar geld verdienen, nee, je dient je nu serieus en volwassen te gedragen, want je hebt een baan-baan.

Het is breed toepasbaar. Wie bijvoorbeeld de stap van appartement naar ‘huis met tuin en zolder’ heeft gemaakt, heeft nu eindelijk en huis-huis.

Je kunt er zelf creatief in zijn. Laatst hoorde ik: „Ik was niet echt een student-student.” (Ergo, ik studeerde wel, maar zoop niet, zat niet bij een vereniging en had geen wisselende contacten.)

Die creativiteit omtrent verdubbeling kan ook te ver gaan. Er zijn mensen die zo enthousiast zijn over het verdubbelen, dat ze het doen op een totaal onbegrijpelijke manier. Ik heb wel eens iemand horen zeggen: „De sfeer was echt, zeg maar, gezellig-gezellig.” Betekent dat dan echt gezellig? Of juist nepgezellig, met stukjes uitgedroogde leverworst op prikkertjes? Nogal vaag-vaag.