Ken Saro-Wiwa zei: de dag van Shell zal nog komen

Op 10 november 1995 werd de Nigeriaanse milieuactivist Ken Saro-Wiwa opgehangen.

In een rechtszaak die vandaag begint staat Shell terecht voor betrokkenheid.

Met de klok mee: Ogoni-jeugd houdt een kaarsverlichte wake voor Ken Saro-Wiwa. Vrouwen bidden bij zijn altaar. Een oliewinplaats van Shell. De ouders van Ken Saro-Wiwa. Charlie Wiwa en zijn twee zussen rouwen om hun broer, een ander familielid, die door 28 kogels om het leven kwam. Charlie Wiwa werkte nauw samen met zijn oom Ken en is een leider van de Movement for the Survival of Ogoni People. (Foto's Hollandse Hoogte) NB pictures/Hollandse Hoogte

Vlak voordat de Nigeriaanse dichter, krantencolumnist, actievoerder en voormalig minister Ken Saro-Wiwa op 10 november 1995 ter dood door ophanging veroordeeld zou worden, had hij een verklaring willen voorlezen in de rechtszaal. Volgens zijn zoon wilde hij dit zeggen: „Ik en mijn collega’s zijn niet de enigen die terechtstaan. (...) Zeker, het bedrijf Shell is onder deze rechtszaak uitgekomen, maar zijn dag zal zeker komen.”

Vandaag, na veertien jaar van juridisch touwtrekken, staat het Nederlands-Britse olieconcern Shell dan inderdaad terecht voor misdaden tegen de menselijkheid. In New York zelfs, met dank aan een obscure Amerikaanse antipiratenwet uit 1789. Het bedrijf ontkent, maar wordt ervan beschuldigd de Nigeriaanse overheid te hebben gevraagd Saro-Wiwa monddood te maken en militairen betaald te hebben om actievoerende Nigerianen op te sluiten, te martelen en ter dood te veroordelen omdat ze zich uitspraken tegen Shells milieuverontreiniging in de regio. Er zijn nog geen eisen gesteld, maar de rechtszaak kan leiden tot aanzienlijke schadevergoedingen, dalende olieverkopen en, vooral, forse reputatieschade voor een van Nederlands bekendste multinationals.

Terug naar Nigeria, halverwege de jaren negentig. Na ruim drie decennia waarin Shell in de olierijke maar straatarme regio Ogoniland olie won, namen de protesten van de Nigeriaanse bevolking toe. Shell zou het milieu verontreinigen. Bovendien werd de lokale bevolking financieel nauwelijks beter van de oliewinning, vonden de Nigerianen zelf.

De inwoners verenigden zich in de Beweging voor de Overleving van het Ogonivolk (Mosop) en Saro-Wiwa was daarvan het gezicht, ook internationaal. In die tijd zei hij nog in NRC Handelsblad dat „als Shell zou komen om de troep op te ruimen, dan zouden wij het leven hier kunnen hervatten. Shell heeft de rotzooi gemaakt, de technologie is van hen”.

In die tijd voert de Nigeriaanse overheid een felle campagne tegen de actievoerders, en Shell wordt er nu van beschuldigd daarbij meer dan betrokken te zijn geweest. De dagvaarding somt op: Shell roept bijvoorbeeld in 1990 specifiek de hulp in van een politiedienst, die vanwege de mensenrechtenschendingen lokaal bekend staat als „kill and go”, zo luidt de aanklacht. Deze ordetroepen slachten volgend op dat verzoek tachtig dorpelingen af, bijna vijfhonderd huizen worden beschadigd of verwoest.

Een ander voorbeeld, opnieuw volgens de dagvaarding: In 1993 protesteren Nigerianen tegen de aanleg van een pijpleiding. Shell roept daarop de hulp van overheidstroepen in, die in het bijzijn van Shell-werknemers op de „vreedzaam protesterende dorpsbewoners schieten”.

Vlak daarna wordt Ken Saro-Wiwa gearresteerd en geeft Shell een persverklaring uit waarin de Nigeriaan ervan wordt beschuldigd een afscheidingsbeweging te leiden. Het zou hem vooral om zijn eigen politieke beweging gaan.

Daarnaast zou Shell, zo luiden de beschuldigingen, talloze malen praktische assistentie hebben verleend om de Nigeriaanse politie- en legerdiensten te helpen. Met behulp van een door Shell betaalde helikopter worden dorpen verkend om later aan te vallen. Shell levert de militaire-politievoertuigen. Shell draagt financieel bij, zowel aan agenten die betrokken zijn bij aanvallen op dorpen, als aan een hogere legerofficier. Eerder zei een woordvoerder van Shell tegen NRC Handelsblad hierover dat „je moet betalen” voor de uniformen en wapens van eenheden die Shell beschermen.

Na de arrestatie van Ken Saro-Wiwa wordt een speciaal militair tribunaal in het leven geroepen, dat de beschuldigingen dat de activist andere Nigerianen zou hebben vermoord moet onderzoeken. Bij deze rechtszaak wordt Saro-Wiwa’s moeder, 74 jaar oud, geslagen, worden de in totaal negen verdachten gemarteld, voedsel geweigerd. Hun advocaten moesten zich terugtrekken. Ook zou Shell hebben aangeboden „ten minste twee getuigen die valse getuigenissen wilden afleggen om te kopen”.

De negen worden ter dood veroordeeld. Ondanks felle internationale protesten wil Shell zich (inmiddels weg uit de regio) niet uitspreken over de kwestie, omdat het de binnenlandse politiek en de rechtspraak in Nigeria raakt. Een week van publieke beroering later gaat Shells topman Cor Herkströter alsnog om. Hij stuurt een fax aan het Nigeriaanse staatshoofd, generaal Abacha. „Shell probeerde de overheid tot gratie te bewegen”, stelt het bedrijf nu over die tijd. „Tot onze spijt werd dat verzoek – en dat van vele anderen – niet ingewilligd. We waren gechoqueerd en bedroefd toen we het nieuws hoorden.”

Talloze landen trekken na de ophangingen bij wijze van protest hun ambassadeurs terug uit Nigeria en wereldwijd uiten regeringsleiders felle kritiek. Zuid-Afrika’s toenmalige president Nelson Mandela noemt de executies een „weerzinwekkende daad”. Groot-Brittannië’s premier John Major stelt een „juridische moord” vast. En de Amerikaanse president Bill Clinton concludeert dan dat Nigeria „zelfs de meest basale internationale normen en universele standaarden van mensenrechten aan zijn laars lapt”.

Een jaar later, in 1996, spannen Saro-Wiwa’s zoon en andere nabestaanden van slachtoffers van Nigeria’s militaire geweld met behulp van mensenrechtenorganisaties een zaak aan in New York. Jarenlang weet Shell die tegen te houden, vooral omdat de Verenigde Staten op geen enkele wijze betrokken zouden zijn bij de kwestie. Het werd een zaak voor volhouders, en ging tot aan het Amerikaanse Hooggerechtshof.

Uiteindelijk worden de aanklagers in het gelijk gesteld met hun beroep op een ruim tweehonderd jaar oude en obscure wetsbepaling. Deze biedt Amerikaanse rechters de mogelijkheid niet-ingezetenen een civiele zaak aan te spannen over schendingen van mensenrechten, ook al zijn ze gepleegd buiten de VS. Voorwaarde is wel dat de aangeklaagde een aanzienlijke aanwezigheid heeft in Amerika – en dat is met Shell-tankstations, -bedrijfspanden en -raffinaderijen wel het geval. Shells woordvoerders in de VS en Nederland willen nu niet ingaan op vragen, maar sturen wel een verklaring: de aanklachten zijn „onjuist en betekenisloos”.

Ken Saro-Wiwa junior (geboren in 1968, woont nu in Engeland en Nigeria) schreef afgelopen weekend een ingezonden stuk in de Britse krant The Observer. „De dag nadat mijn vader was opgehangen, werd mijn mening over Shell gevraagd. Ik twijfelde niet en gaf het antwoord dat Shell een deel van het probleem was en ook deel moet uitmaken van de oplossing.” De zoon, wiens rechtszaak vandaag om tien uur lokale tijd begint, schrijft dat zijn vader niet tegen oliewinning en -productie was, maar dat alleen het hebben van de zakelijke rechten om ergens te mogen boren niet voldoende zijn – en er zou een dag komen dat het olieconcern dat ook zou inzien.

„Ken Saro-Wiwa heeft altijd volgehouden dat Shell hem uiteindelijk als zijn grootste vriend gaat beschouwen.” Maar eerst nog even een rechtszaak uitvechten.