Het project zonder passie

Europese verkiezingen zijn een onmogelijke opgave voor politieke partijen. In Duitsland heb je een vergrootglas nodig om het verschil te ontdekken tussen de christen-democraat en de sociaal-democraat. Allebei zijn het overtuigde Europeanen van het politieke midden. Berlusconi zocht – vergeefs – het verschil met mooie meiden op zijn kandidatenlijst. De Britse kandidaten mikken op de kiezersgunst door voor te wenden dat ze eigenlijk geen zin hebben. Ons land voelt zich, zoals al jaren, vooral bedreigd. Door buitenlanders, door Chinezen, door ‘Brussel’.

„Brussel moet zich niet met onze pensioenen bemoeien”, zegt de CDA-kandidaat in alle ernst in een camera. Alsof Brussel er ook maar iets mee te maken had dat Nederland de afgelopen maanden het grootste pensioendebacle uit zijn geschiedenis beleefde. (Hád Brussel zich er maar mee bemoeid, zou je bijna zeggen.)

„Het Nederland van de Gouden Eeuw was het licht in de duisternis. Vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van overtuiging waren het schild van vrije burgers die gelijk waren voor de wet.” Zo schrijft de VVD met het oog op de Europese verkiezingen – manipulatie van de geschiedenis weliswaar, maar de boodschap is helder en krachtig: ook hier staat men pal.

Er zijn ook twijfelaars. De Partij van de Arbeid wil enerzijds dat Brussel zich niet bemoeit met de sociale politiek, en wil anderzijds een „sociaal Europa”. Partijleider Bos zegt in een reclamespot dat „we het ideaal van Europa moeten verrijken”. En dat we onszelf gelukkig mogen prijzen met de euro omdat „ons anders hetzelfde lot als IJsland was beschoren”.

Voor de SP kan Brussel niet anders dan kapitalistisch zijn en die partij bepleit renationalisatie. Socialisme is voor deze club alleen binnen Nederland te verwezenlijken, Brussel is de boze buitenwereld. In een verkiezingsspot vanaf Vlieland meldt de PVV-lijsttrekker: „We geven ons geld weg (aan Brussel), onze zeggenschap weg, dat moeten we allemaal terugdraaien.”

De kleine christelijke partijen zijn van oudsher sceptisch over Europese integratie, want ze zien Neerlands geestesmerk er door bedreigd. Alleen GroenLinks en D66 omarmen in feite Europa als de geschikte arena waarin de ideeënstrijd tussen politieke stromingen moet worden geleverd. Voor D66 is het misschien wel de meest geschikte arena – geschikter dan Den Haag. „Europa is niet het probleem, Europa is de oplossing”, zegt de lijsttrekker.

Te midden van alle stekeligheden van de dag weten de meeste partijen geen raad met een dilemma achter alle ophef: is Europa nou binnenland of buitenland? Zodoende lopen in de discussies voortdurend twee andersoortige sporen door elkaar heen. Eerste spoor: willen we een sociaal, een christelijk, een conservatief, een liberaal Europa? En tweede spoor: willen we meer of minder Europa? Dat wringt. De VVD-lijsttrekker Hans van Baalen begint zijn jongste tv-reclame bijvoorbeeld met de woorden: „Ik wil Nederland in Europa vertegenwoordigen.” Voor hem is Europa dus kennelijk buitenland, want hij gaat niet primair knokken voor een liberaal Europa, maar voor Nederland. En omgekeerd: de kandidaat van GroenLinks – een Amsterdamse politica – antwoordt op de vraag van een kiezer wat ze in Europa nu voor Amsterdam gaat doen helder: „Niets.” Immers, zij gaat strijden voor een milieuvriendelijk Europa. Voor haar is Europa dus kennelijk binnenland.

Het is ook lastig. Als het gaat om wet- en regelgeving en economie is Europa al voor een heel eind binnenland. Maar als het gaat om collectieve herinnering (ons vorstenhuis, de oorlog, Indië, Fortuyn), om ‘gedeelde gevoelens’ (Jan, Jan Peter, Jolanthe, Frans, Linda, Katja, e.v.a.) en om taal is alles buiten Nederland buitenland. Leg dat een kiezer maar eens uit in dertig seconden.

Geen partij wil gewoon botweg uit de Europese Unie stappen. Maar waarom eigenlijk niet? Alleen omdat het geld kost? Zwitserland is geen lid, Noorwegen ook niet en dat zijn toch allebei landen waar Nederland een redelijk hoge dunk van heeft. Omgekeerd willen maar weinig partijen echt hun hart aan Europa verpanden. En zo blijft het een schimmig spel van reluctant lovers: Europa is onvermijdelijk, maar dat betekent nog niet dat er enige voldoening aan kan worden beleefd. En zo kan Europa in een land dat zich toch al bedreigd voelt, verworden tot een object van chagrijn en ongenoegen. Met zo’n gevoel bouw je weliswaar niets op, maar het lucht kennelijk op om er flink over te klagen.

Niet alleen in Nederland, ook elders in het oude Europa is Europa al geruime tijd een project zonder passie. President Sarkozy gebruikte het voorzitterschap, c.q. de Europese Unie, voor eigen roem en zendtijd – zijn kiezers zitten in Frankrijk. De huidige voorzitter Václav Klaus uit Tsjechië misbruikt zijn tijdelijke functie voor eigen spelletjes.

De buitenwereld voelt dat haarfijn aan: de Chinese premier Wen Jiabao maakte de huidige EU-voorzitter vorige week in Praag zelf nog totaal belachelijk door hem de minimale hoffelijkheid van een lunch te weigeren. Waarom tijd gestoken in een eendagsvlieg die zijn dag niet heeft? Wat vertegenwoordigt de man nou helemaal?

Een paar dagen later overkwam Klaus en Commissievoorzitter Jose Barroso iets soortgelijks. De Russische president Medvedev liet het EU-duo zeven uur extra vliegen om hem te ontmoeten – helemaal in Chabarovsk, ver in Aziatisch Rusland, 6.000 kilometer voorbij Moskou. En Medvedev deed er ook niet diplomatiek over, maar zei botweg waarom hij dat verre oord had gekozen: „Zij zullen de grootsheid van Rusland voelen.”

Zijn zulke Europese verkiezingen onderdeel van een langzaam versukkelingsproces? Daar ziet het wel naar uit, maar het hoeft niet. Want vaak zijn het ‘omstandigheden’ die de loop van de geschiedenis een onverwachte wending geven.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen

    • Ben Knapen